Click here for English version.
Ik schrik wakker uit een korte, comateuze slaap. Gebonk, geklapper en een schip dat zich zeer merkwaardig gedraagt. Ik wurm me in recordtijd uit mijn kooi en kijk naar buiten. Aan weerszijden van de kuip rijzen huizenhoge golven naar de hemel. Daartussen staat Jonas ogenschijnlijk onbewogen met de helmstok in zijn hand, te sturen alsof hij aan een zondags pleziertochtje bezig is. Door de kuip drijft mijn drijfpak, ten prooi gevallen aan een breker die de kuip in sloeg. Het stukje zeil dat nog staat om de boot te stabiliseren klappert woest heen en weer, omdat de traveler is losgeschoten. De slaap die me zojuist nog overmande is opeens nergens meer te bekennen.
Ik droom niet: ik ben onderweg naar Ierland voor de delivery van Mallard, een S&S 34 uit 1970. Bijna vier dagen geleden zijn we uit Delfzijl vertrokken, en omdat de wind goed stond en de boot er evenveel zin in leek te hebben als wij, zijn we flink opgeschoten. Maar nu is onze voorspoed op, en varen we -een beetje noodgedwongen- middenin de Portland Race.
Contactadvertentie
De boot waarop we varen (een bekend ontwerp van de tekentafel van Sparkman & Stephens) stond al een tijdje te koop en omdat ik moe werd van mijn eigen verliefde blikken naar de advertentiefoto’s, was ik wezen kijken in Delfzijl. Een schitterend scheepje, liefdevol onderhouden en uitgerust door Lukas, de trotse tweede eigenaar. Toch genas de bezichtiging me van mijn hebzucht: Mallard is met zorg en aandacht gebouwd en uitgerust om mee te racen, en dat soort plannen heb ik niet.
Gelukkig diende zich een paar maanden later een geschiktere koper aan, met de juiste aspiraties. Nu moest alleen iemand de boot nog naar de nieuwe ligplaats in Cork varen. En omdat Lukas onthouden had dat ik ook deliveries doe, kreeg ik toch de kans om met haar te varen. “Pas maar op met die S&S”, waarschuwde een zeilvriend me. “Die boten zijn verslavend”. Ik luisterde niet.
Tochtenplanning
Terwijl de lente aarzelend aanbreekt zit ik daarom met mijn neus in de Reeds Almanac, overzeilers en stroomatlassen om een routeplan te maken. Verkeersscheidingsstelsels, stroming, meldplicht, geschikte havens en noodhavens, windparken, visa-eisen, beslismomenten: ik verzamel wat ik vinden kan in document dat wat weg heeft van een boekwerk. Een bonnefooitje is leuk met eigen schip en met de tijd aan je zijde, maar in dit geval geen optie.
Lukas neemt intussen de voorbereiding van de boot voor zijn rekening. Bemanning is ook snel geregeld: Jonas, die zijn waarde als bemanning tijdens een eerdere delivery al heeft bewezen, is meteen enthousiast en weet ook zijn vriend Örjan te strikken. Nog zo’n solide Zweedse zeiler.
Als planning, boot en crew gereed zijn wachten we eerst een harde noordwester op de Noordzee af. Het KNMI adverteert met code oranje: geen goed weervenster om te vertrekken. Gelukkig waait het snel over, en kondigt een zacht briesje uit het zuidwesten ons vertrek aan.
De Noordzee op
We gooien los en kiezen zee, met de ebstroom mee. De zeilen gaan omhoog en de boot stuift naar het noorden. Mijn ogen glijden over de kaart. Meeuwenstaart, Dukegat, Fischerbalje… Ze kent de weg, na 20 jaar in dit gebied.
We motorzeilen langs de eilanden tot de wind naar het noorden draait en de motor uit kan. De avond valt, ik wurm me in de hondenkooi en dommel makkelijk weg. De boot loopt goed, ik kan blind varen op de bemanning en het ritme van de zee neemt het over. Slapen – eten – sturen: meer dan die basale driekwartsmaat is er niet, en meer is daarom ook niet nodig. Als we Texel voorbij zijn gaat het stuurboord uit, richting Dover.
Engelandvaarders
Hard waaien doet het niet, behalve als het dat opeens wel doet. Geregeld trekken er buien over met 25 knopen wind. Het is een prima oefening in reven en meer zeil zetten, en het geeft ons iets te doen terwijl het laagland gestaag achter de einder verdwijnt. Als we net voor de zoveelste keer het grootzeil weer vol hebben gehesen bungelt opeens de halshoek op een plek waar die niet hoort. Het lummelbeslag blijkt losgekomen van de mast. In twee tellen zitten Jonas en Örjan aan dek. Met vereende krachten zit even later weer alles op zijn plek, met een noodreparatie van ijzerdraad uit die ene la die elke boot heeft en elke zeiler kent.
Tij mee, tij tegen
Na een lange slalom tussen grote scheepvaart, windmolenparken en verkeersscheidingsstelstels, kondigt de British Coastguard de shipping forecast aan, kraakhelder op kanaal 16. We zijn in Engeland!
We laten Ramsgate aan stuurboord links liggen en stevenen af op het lichtschip East Goodwin, dat al sinds 1795 (in variabele materiële samenstelling) de oostkant van de Goodwin Sands markeert. De timing voor de aanloop naar Dover is eigenlijk verkeerd: we zijn te vroeg, omdat die boot nu eenmaal zin heeft om hard te lopen. Maar er is een weeromslag op komst, met zuidwestenwind die ons tegen gaat werken. Dus varen we verder met de stroom vol tegen, onder het motto ‘We zijn hier niet om te stoppen!”.
We draaien de hoek kom en volgen de zuidkust van Engeland. Het volgende beslismoment is Brighton, en het lijkt me verstandig om hier te rusten. Maar hoe ik ook reken, we komen niet uit met het getij. Aankomst met laag water springtij om 4 uur ‘s nachts, terwijl de haveningang verzand is. En als we dan in de haven liggen, zou net de wind gunstig worden om verder te varen.
Wings of Wight
We zijn hier niet om te stoppen, en dus stoppen we niet. De wind zakt wat in en draait, dus gaat de motor bij tijdens de wachten dat de stroom tegenzit. Met stroom mee blijft de koers naar het westen nét bezeild. Ik reken uit dat als we de vaart er een beetje in houden, we bij Isle of Wight de stroming precies mee krijgen. Mallard glijdt gracieus door het water, met een goede zeiltrim is sturen niet nodig. Brengen wij haar naar Ierland, of zij ons?
Zo varen- vlíegen!- we ’s middags op dag drie tijdens Jonas’ wacht langs Isle of Wight met tien knopen op de teller. Een mooie NNW 5 en springtij-stroming mee geeft onze eend vleugels, en ons een grijns op onze snavels. Een hele troep zeilers gaat eensgezind dezelfde kant op. We zijn nu ruim drie dagen onderweg, met 400 M in het kielzog. We zijn dus ruim over de helft en met een beetje geluk en een beetje doorzetten brengt dit weervenster ons tot Falmouth, denk ik (dan nog).
Kentering
Als het tij kentert is het opnieuw tijd voor een beslissing. De enige voor de hand liggende plek om te stoppen is de ankerplaats bij Swanage. Maar de ankergrond is daar twijfelachtig, en het waait flink door. De dichtstbijzijnde haven betekent een eind omvaren. Bovendien: morgen staat de wind uit een gunstiger hoek.
Misschien zijn het smoesjes, en is het mijn hoogmoed die hier aan het roer zit. “Falmouth”, gonst het door mijn hoofd. ‘Gipfeldrang’ heet het in de bergsport: je blindstaren op je einddoel, en daarbij de risico’s en omstandigheden uit het oog verliezen.
We stoppen niet, maar gaan overstag, en varen de nacht in, naar het zuiden. Scherp aan de wind varen vergt concentratie, en met wind en stroom tegen schiet het allemaal niet op. Ik ben blij als Jonas me komt aflossen en we overstag kunnen, terug naar land. Maar terug naar land blijkt -nu de zeilen over stuurboord staan- een koers terug naar Isle of Wight te zijn. Jonas is pragmatisch en zet de motor bij. We zijn hier niet om te stoppen, maar ook niet om terug naar het Oosten te drijven.
Bijsturen
Zo motorzeilen Jonas en Örjan tijdens hun wachten naar het noordwesten, onverstoorbaar ploeterend tegen sterke wind en stroming. Waar we twaalf uur eerder nog onoverwinnelijk waren, voel ik de moraal nu inzakken. Als ik zo’n vijf uur later de wacht weer van Örjan overneem ben ik genezen van mijn gipfeldrang, en heb ik mijn ogen gericht op Dartmouth, zo’n 40 mijl westelijk.
We varen vlakbij de Portland Bill, en ik buig me over de stroomatlas. Het tij staat op het punt van kenteren en ik had gehoopt nu mooie slagen te kunnen opkruisen. Dat valt vies tegen. Ik ga een paar keer overstag, trim me een ongeluk, maar krijg er geen gang in naar het westen. We moeten meer zeil zetten, maar dat gaat ten koste van het comfort aan boord. En mijn bemanning moet nog langer mee…
Bakzeil
Pas als Jonas zijn hoofd uit het kajuitluik steekt en me vraagt hoe het ervoor staat, merk ik hoe ik er zelf aan toe ben. Gefrustreerd, maar vooral moe, koud en hongerig. Jonas smeert boterhammen voor me en hoort mijn gemopper aan. “Kunnen we geen haven in?”, oppert hij. Ik kijk naar de Portland Bill, waar we maar niet voorbij lijken te komen. Daarachter ligt de haven van Portland, beschut tegen alle winden- als je eenmaal binnen bent. Maar de aanloop is verraderlijk: alleen rond de kentering van de stroom is dit water begaanbaar. Buiten dat venster neemt de Portland Race er bezit van: een wild water, opgeklopt tot woeste golven door twee tegengestelde stromingen die elkaar bij de kaap ontmoeten.
Met de plaatjes uit de stroomatlas in mijn geheugen, besluit ik: nú is het tijd om wél te stoppen. Jonas neemt het roer over en ik duik wankelend mijn kooi in. Ik voel me een vermoeide zombie, en bij het binnenvaren van de haven moet ik frisser zijn dan nu. Nog voordat mijn hoofd het kussen raakt verzink ik in een soort van coma, totdat ik dus wakker schrik van een kolkende zee die ik liever had willen vermijden.
Portland Race
Wat in de Reeds staat aangegeven als ‘slight race’ is in werkelijkheid nog steeds een soort wildwaterbaan. De onbewogenheid van Jonas -zo vertrouwt hij me later toe- is schijn, net als trouwens mijn eigen opgewekte en onbezorgde reactie. De enige aan boord die écht rustig blijft in dit watergeweld is Örjan, die binnen in zijn kooi ligt te ronken alsof er niks aan de hand is. Het was beter geweest om hem wakker te maken: in dit beruchte water is twee man aan dek geen overbodige luxe. Nóg beter was het geweest om dit beruchte water helemaal te mijden, zoals het oorspronkelijke plan was. Mallard zelf lijkt zich er niks van aan te trekken: ze schudt het water van zich af en vaart verder. Een boot als deze is gebouwd voor grotere uitdagingen dan deze.
Bij het krieken van de dag varen we de haven van Portland in. We krijgen een plekje aangewezen aan de passantensteiger, en na een welverdiend ontbijt in de waterige ochtendzon is het tijd voor rust. Warm douchen, bijslapen, de boot op orde maken, fish & chips aan wal. We zijn goed opgeschoten, maar het laatste stuk was pittig. Nu is het tijd om uit te rusten en te evalueren: wat ging goed, wat had anders gemoeten, en hoe ziet de volgende etappe eruit?
Pitstop Portland
Omdat de wind alleen maar aanwakkert en er een diep laag over de Ierse Zee trekt, worden het drie dagen Portland. We doen wat reparaties, vervangen het brandstoffilter, verbeteren de noodreparatie aan het lummelbeslag met materiaal uit de winkel die elke haven heeft en die elke zeiler kent. Als ik terloops opmerk dat de oude handbilgepomp het niet meer doet, verdwijnt Örjan in de bakskist zonder verder commentaar. Een uurtje later is ook dat probleem verholpen.
Op het strand van Weymouth laat ik mijn blik glijden over een kalm ogende zee en vraag me voor de vijfentwintigste keer vandaag af of hier blijven de juiste beslissing is geweest. Maar terug in de haven zwiept een nijdige westenwind de vallen tegen de masten. Gelukkig maar, we liggen hier niet voor niets.
Verder trekken
De wind gaat uiteindelijk liggen volgens afspraak, aan het einde van de woensdagmiddag. We timen ons vertrek zo dat we de ebstroom mee krijgen zodra we voorbij de Shambles zijn, want we besluiten de Portland Race niet nogmaals te trotseren, en zeker niet in het donker. Ik heb mijn les geleerd. We vallen al snel weer terug in onze vertrouwde driekwartsmaat.
Een mooie zuidoostenwind steekt op en zet ons onder vol zeil naar het westen. Op donderdagavond varen we melkmeisje met uitgeboomd voorzeil met een wind die maar blijft aanwakkeren. Dat komt doordat we de fok hebben vervangen door de grote genua: van dat soort zeilwissels gaat het altijd harder waaien.
Voor de wind
Het vergt concentratie om de boot plat voor de wind te houden, maar we maken goede voortgang, en ik heb het naar mijn zin. De mannen liggen te slapen, de zon wandelt langzaam naar het westen en af en toe komt een groep dolfijnen een kijkje nemen. Vroeg of laat zullen we moeten gijpen om óm Land’s End te varen en er niet óp, maar ik stel het uit: Nog even zo voortjakkeren, een voorsprong halen op het hogedrukgebied dat vanuit het oosten een windstilte komt brengen. Straks bij de wissel van de wacht kunnen we wel wat aan de zeilvoering doen.
“Moeten we niet gijpen?”, hoor ik opeens vanuit het kajuitluik. “Ja straks, als jij wakker bent”, zeg ik, terwijl ik mijn blik strak op de windex houd. “Maar ik bén toch wakker?”, antwoordt Jonas, en achter hem valt Örjan hem bij: “En ik trouwens ook!”. Dus staan ze even later allebei aan dek. Als bij toverslag zijn ook de dolfijnen weer terug, als om ons aan te moedigen. Wanneer we de zeilvoering bijstellen voor de nacht, kunnen ze hun enthousiasme niet meer temperen. Met grote sprongen komen ze uit het water, buitelend om de boot alsof ze de beslissing willen vieren. Langzaam verdwijnt de zon achter Land’s End.
Ierse Zee
Nadat we in de vroege ochtend het TSS Land’s End zijn overgestoken, en het uiterste puntje van Engeland in de verte verdwenen is, blaast een zachte zuidwester de laaghangende bewolking weg. Zonder verdere beslommeringen helpt hij ons het hele stuk naar de overkant. Niks windstilte, niks naderend hoog: de barometer staat zo stil dat ik me afvraag of hij stuk is. Zee en tijd strekken zich aan alle kanten uit tot over de horizon. In de vroege ochtendzon van de derde dag ontwaar ik een donkere vlek: Ierland in zicht!
Slalommend tussen de in- en uitvarende scheepvaart varen we Cork Harbour binnen. Omdat het een stralende zaterdagmorgen is, schieten zeilbootjes in alle soorten en maten ons aan weerszijden voorbij. Wij houden bakboord en varen richting Crosshaven. Vergapen ons aan de grote variatie aan klassieke en minder klassieke jachten. Niet vergeten nauwkeurig te sturen: aan de grond lopen in het zicht van de haven is altijd zonde.
Welkom thuis
De Royal Cork Yacht Club is niet zomaar een haven: het is de eerste en de oudste Yacht Club ter wereld, opgericht in 1720. ‘Yachting’ was toen net via Engeland overgewaaid uit Nederland (zie tekstblok). Vandaag komen wij bij de Royal Cork Yacht Club in die traditie een bootje uit Nederland brengen.
Kieran, de koper, staat met beide armen te zwaaien op de laatste steiger van de Royal Cork Yacht Club. Hij heeft reikhalzend uitgekeken naar onze komst, want het regattaseizoen is al een eind op weg. Hij loopt tegen de 80, maar dat zit zijn fanatisme niet in de weg. De Mallard heeft hij uitgezocht vanwege haar uitstekende zeileigenschappen, goede tuigage en uitgebreide zeilgarderobe. Dat er in de haven precies zo’n boot ligt die regelmatig races wint, zal er ongetwijfeld ook iets mee te maken hebben…
Zodra de lijnen vastliggen komt er een stroom familieleden en zeilvrienden op gang die Kierans nieuwe boot komt bekijken. Er wordt instemmend geknikt, goedkeurend naar binnen gekeken, bewonderend op het kajuitdak geklopt. Ik zie bevestigd wat ik al wist: Mallard heeft haar thuishaven gevonden.
De Royal Cork Yacht Club is de oudste ter wereld, opgericht in 1720. ‘Yachting’ was toen net overgewaaid uit Engeland, waar het de nieuwste rage was onder Engelse heren van stand. Charles de Tweede, koning van Engeland, Ierland en Schotland, kreeg in 1660 tijdens zijn ballingschap in Nederland een plezierjacht cadeau; de Mary. Licht en snel en elegant, puur en alleen gebouwd om mee te ‘spelevaren’. De Nederlanders deden dat al jaren, nadat ze in de Gouden Eeuw schathemeltjerijk waren geworden met hun VOC-vloot. Het waren vooral de rijke kooplieden die hun geld, dat tegen de plinten van hun grachtenpanden klotste, besteedden aan het bouwen van boten voor privégebruik.
Toen Charles de Mary mee terug nam sloeg dat enorm aan in Engeland, en
binnen de kortste keren werd ‘yachting’ een ware rage onder de Engelse
edellieden. Trends uit Londen waaiden vlot over naar Ierland, en in 1720 werd
de ‘Water Club of the Harbour of Cork’ gesticht. Het was daarmee de eerste
Yacht Club ter wereld, en hij bestaat nog steeds.

Pingback: Unstoppable - Zeilboot Ataraxía
Wat leuk om zo – vanuit m’n luie stoel – met jullie mee te hebben gevaren. Ik lees je reisverhalen (steeds) met veel plezier!
Hoi Anne,
Heerlijk om zo met jullie mee te reizen. Mooie tocht . Dank voor het delen.
Mooie reis en heel leuk beschreven Anne!