Met een backback op mijn rug, een rugtas op mijn buik en een Albert Heijntas vol boeken tussen mijn voeten geef ik voorzichtig gas. “Zelfvertrouwen”, mompel ik mezelf bemoedigend toe, terwijl ik uit mijn ooghoek de wenkbrauw van de verhuurder steeds verder omhoog zie gaan. Aarzelend komt de 50cc scooter op gang, en met het zwalkende kielzog van een beschonken zeeman rij ik de parkeerplaats af. De opgetrokken wenkbrauw maakt plaats voor een brede glimlach en een opgestoken hand.
Het hele werkseizoen vloog en voer ik van hot naar her: ik zeilde met mijn vaste Italiaanse 50-voeter van Lefkas naar de Peloponnesos, bracht met twee vrienden een aluminium 40-voeter van Tenerife naar Galicië, bezocht familie (en de boekwinkel) in Nederland, voer een rondje Zakynthos met diezelfde Italiaanse 50-voeter en monsterde tot slot voor een paar weken aan op Cherokee, van Galicië tot Lissabon, slalommend tussen orka’s en vroege najaarsstormen.
Nu ben ik na vijf maanden zwerven weer terug op het thuishonk dat momenteel op Leros ligt, met tassen vol verhalen -letterlijk én figuurlijk. Maar het klinkt misschien gek: ik kan niet wachten om met mijn varend thuis weer verder te zwerven, meer te zien van de Dodecanesos, en verder te schrijven aan mijn eigen verhaal.
Dirty sanding
Maar zover is het nog niet. Toen ik Trixie vijf maanden geleden op de kant zette, viel het me op dat er grote delen van de verflaag op het onderwaterschip afgebladderd waren. Ik wijtte dat aan mijn eigen ongeduld tijdens de vorige schilderbeurt: toen was het winter, en waarschijnlijk was ik onzorgvuldig met het voorbereiden en de tussentijdse droogtijd van de 6 lagen epoxy. Dus moet er nu een boel opnieuw, en om het goed te maken met mezelf heb ik besloten het grondig aan te pakken.
Zodoende sta ik zondagmorgen ingepakt in een volgelaatsmasker, capuchon, handschoenen en gehoorbescherming de oude rommel van mijn kiel te stralen. “Lady!”, hoor ik opeens iemand achter me brullen. “You cannot do that!”. Onmiddellijk voel ik de recalcitrantie in mezelf naar boven borrelen. Ik zet mijn machine uit, mijn koptelefoon af, mijn hakken alvast in het zand. Maar als ik fronsend omkijk lijkt de barse beveiliger gewoon een aardige Griek, die zonder te brullen nu eenmaal niet boven mijn kabaal uit kwam. Hij legt uit dat de rondvliegende stof- en staaldeeltjes ondanks mijn stofzuiger op de net gepolijste Swans en Hallberg-Rassy’s terechtkomen, en dat ik voor dit soort klussen daarom in de straalzone van de werf terecht kan. Ik kan hem geen ongelijk geven, dus gaan mijn hakken uit het zand en mijn machines weer aan boord.
De volgende ochtend brengt de kraan me naar mijn nieuwe plek, tussen roestig staal, vergane glorie en motoronderdelen uit de jaren ’70. Ik voel me er meteen thuis. Lang duurt het niet voordat ik in het klusritme terug ben: ’s ochtends een ronde stralen en schilderen, dan een middagpauze aan het strand op scooterafstand, ’s middags een tweede ronde, ’s avonds een warme douche en -jawel!- vrije tijd. Het is doorwerken, maar écht buffelen wordt het niet: ik heb mezelf ervan kunnen weerhouden om meer dan één klus tegelijk te doen. Dat is ook niet meer nodig: de klussenlijst is weliswaar nog steeds oneindig, maar op dat verfsysteem na is Trixie toch vaarklaar.
Motorpech
Zes lagen kwaliteitsepoxy, een laag primer en twee lagen antifouling later is Trixie klaar om te water te gaan. Zachtjes laat de kraan haar zakken tot ze drijft. Ik stel vast dat mijn nieuwe afsluiter niet lekt en probeer de motor te starten. Maar dat gaat niet: de startmotor draait, maar mijn oude 1-cilinder heeft er geen zin in. Zwetend loop ik al mijn opties na: pomp extra diesel op, ontlucht het filter en de leidingen, controleer de accuspanning, geef een paar zwengels met de hand en zoek naarstig naar de startspray. Maar starten, ho maar!
Inmiddels hebben de werfwerkers me naar de andere kant van de kade gemanoeuvreerd. “Siga, siga”, zeggen ze als ze mijn rood aangelopen hoofd zien. Geen haast dus, en met een verse kop koffie in de hand neem ik nog eens mijn opties en mijn hulplijnen door. De buren lenen me een nieuwe, volle accu, waarmee ik uitsluit dat het aan mijn accu’s ligt. Er zit niets anders op dan bij de technische dienst om hulp te vragen, en een halfuur later rij ik met de monteur in zijn stokoude suzuki-pickup over de werf. “Een oud beestje, maar zolang hij werkt…”, legt hij uit, en geeft een liefkozend klopje op de roestige motorkap. Een liefhebber van oude meuk: dat verklaart de twinkeling in zijn ogen als hij mijn oude gele monstertje in de ogen kijkt.
Hij herhaalt de hele riedel: diesel oppompen, ontluchten, kabels controleren, accuspanning testen, startspray… Nog steeds niets. “Heb je een bekertje motorolie voor me?”. Ik vul een espressobekertje met olie, vraag of hij melk en suiker wil. “Een trechtertje graag, en hou even je hand op de uitlaat”. De olie gaat in de luchtinvoer, en met mijn linkerhand kan ik nét bij de startknop terwijl ik met rechts de uitlaat dichthoud. “Uche-uche-uche-doek-doek-doek”, zegt mijn motor, die opeens weer draait alsof hij nooit anders heeft gedaan. “Toverkunst!”, roep ik. “Een vastgekoekte zuigerveer”, legt de monteur uit. “Smeren van boven, forceren met een prop in de uitlaat en hij loopt weer als een trekker”. Weer wat geleerd!
Schoon schip
De volgende dag vaar ik naar Lakki, een kleine 3 uur varen. Het is maar goed dat de motor het doet, want anders was ik nergens aangekomen. Een grijzige stolp hangt over Leros, dus is er van zeilen geen sprake. Toch ben ik uitgelaten, omdat Trixie dapper door het water tuft met een knappe 5 knopen. Scheelt een hoop, zo’n schoon schip!
In Lakki krijg ik bezoek van Harmi en haar zoon Stan, maar we hebben weinig geluk met het weer. Van zeilen komt het daarom niet, maar in plaats daarvan bekijken we het eiland vanuit toeristisch perspectief en kletsen we bij. Tussendoor vind ik als een echte klusaholic nog wat tijd om mijn nieuwe tweedehands watermaker te monteren, en een nieuwe wc, en een zoutwaterkraan. Zo is mijn waterhuishouding een stuk beter op orde.
Ontwenningsverschijnselen
Als ik weer alleen ben maak ik de boot zeilklaar zodra het weer het toelaat. Met een waterig zonnetje zet ik koers naar het zuiden. De zee is steeds op armlengte afstand, de zeereling laag, het gangboord smal en de boot bewegelijk. Ik voel me wankel en onzeker op de benen na al dat werkwerf, en een zomer op boten van een paar maten groter. Alleen op zee met een 28-voeter: kwestie van wennen. De eerste paar uur zitten mijn zenuwen het genieten in de weg. Maar als ik tussen Kalymnos en Leros door ben gestoken en ik me kan vergapen aan de hoge, steile rotsen van Kalymnos, glijdt de spanning van me af en voel ik me weer helemaal op mijn plek aan boord.
Er staat voor morgen een straffe zuidenwind op het programma, dus zoek ik een kleine, beschutte baai uit aan de oostkant van Kalymnos. Ik ben er niet alleen, maar dat is eigenlijk wel fijn: als er met die sterke wind iets misgaat, zijn er tenminste hulptroepen nabij. Ik leg twee ankers uit en lijnen naar de kant, zodat ik ook nog veilig lig als de wind met extra sterkte door de kloof zou komen waaien.
Pezonta paradise
Pezonta is -tenzij je geitenpootjes hebt- alleen per boot bereikbaar en het is er dus heerlijk stil. Zelfs 5G lijkt hier niet te kunnen komen, al waait er af en toe net genoeg bereik naar binnen voor een appje hier en daar. De andere boten varen één voor één verder, dus heb ik het rijk alleen. Ik ruim wat op, lees boeken, ga een rondje snorkelen en peddel naar het strandje voor een korte klautering. Het water is helder en fris, dus laat ik voor het eerst de watermaker brommen.
Ik inspecteer het grote rode kluskrat dat al drie jaar op mijn langsbank staat. Het is de plek waar ik ‘lopende klussen’ bewaar: losse onderdelen die nog even gemonteerd moeten worden, gereedschappen die nog niet onderin de boot kunnen worden opgeborgen omdat ik ze nog nodig heb. Als ik gasten heb verplaatst het krat soms van de bank naar mijn bed, waar het minstens net zo in de weg staat. Nu bevat het alleen nog wat losse stukjes hout en ongebruikte tupperware. Ik ruim het op, klap de krat in en weet ergens in het achteronder nog een plekje te vinden. Trixie is bij deze klusboot-af! We proosten met een glaasje ‘Eau de Trixie’, gemaakt met zeewater en zonne-energie.
Nazomeren
Als de wind na twee dagen in dit paradijsje wat is gaan liggen en een tikje is gedraaid haal ik mijn ankers en mijn lijnen op en vaar ik richting Kos. Aan stuurboord glijdt Kalymnos voorbij, aan bakboord even later Pserimos. Maar ik laat de havens en ankerbaaien links liggen, want het is het meest schitterende zeilweer denkbaar: de zon staat te stralen alsof ze een wedstrijdje met me doet, en Trixie glijdt met halve wind moeiteloos zuidoostwaarts. Geen ander schip in de wijde omtrek, dus trek ik alle overbodige kledingstukken uit: dit staartje zomer diep in me opsnuiven voordat het najaar me weer in lange broeken en wintertruien dwingt.
De ankerplaats bij Kos is ruim, maar onbeschut bij noordenwind. Omdat de wind ’s nachts draait, wordt het een onrustig nachtje. Geeft niet: Kos-stad is druk en toeristisch, en ik heb er niks te zoeken. Nog voor zonsopkomst hijs ik daarom de zeilen en ga ik ankerop. In het gouden ochtendlicht vlinderen we om de zuidoosthoek van Kos. Daarna gaat het stuurboord uit, richting het vulkaaneiland Nisyros, dat onze voorlopige bestemming is.
Stoïcijns zeilen
De noordenwind die zich achter het eiland heeft verscholen springt plotseling tevoorschijn als ik de hoek om ben. Mijn gereefde grootzeil en bescheiden fok zijn al snel veel te groot voor deze condities. Dus worstel ik op het bokkende voordek een zeilwissel voor elkaar, terwijl de zee over mijn knieën spoelt. Een goede oefening in Stoïcisme… Ergens in mijn tenen maakt de angst aanstalten om zich door mijn lichaam uit te strekken: de zee is zo dichtbij, de wind duwt Trixie op haar kant en er zit niemand aan het roer. Ik adem diep in en blaas de angst terug zijn hok in: hij heeft me niets waardevols te brengen. Langzaam doorloop ik alle stappen: leuvers aanslaan, zeil in de zak, schoot aanslaan, lifeline niet vergeten… Zo dwing ik zowel Trixie als mezelf tot kalmte en traagheid. Én de wind, want die zakt zoals gebruikelijk in zodra mijn gereefde zeilen goed staan.
Thuiskomen
De haven van Paloi ligt aan de noordkant van Nysiros. Dat de haven ook met noordenwind beschut is komt door de beschermende pier en de nauwe en ondiepe haveningang op het oosten. Deining krijgt daardoor geen kans de haven binnen te lopen. Maar buiten de haven staat inmiddels een aardige klotszee, en ik zal volledig op mijn motor moeten vertrouwen om veilig de haven aan te lopen. Die start gelukkig zonder tegensputteren, en een korte rodeorit later zitten de zeilen slordig maar stevig vastgesjord. Met gebalde vuisten en een bonzend hart stuur ik een hevig rollende Trixie het nauwe vaarwater tussen de zandbank en de rotsen door. In één klap is het water vlak, en aan de kade zie ik twee bekende gezichten.
Mijn gespannen frons maakt plaats voor een lach van oor tot oor als Nicola en Jan mijn lijnen aannemen. We kennen elkaar uit Nidri, voeren van het voorjaar dezelfde richting op, spendeerden 16 dagen non-stop op zee (Nico) en treffen elkaar waar en wanneer het uitkomt. Meereizende buren, het is meteen vertrouwd gezellig. De havenpoes begroet me met een kopje tegen mijn been en zodra de boot netjes ligt schuif ik bij een nieuwe groep zeilersvrienden aan in de plaatselijke taverne. De eigenaresse begroet me warm, alsof ze me al jaren kent. Het is heerlijk thuiskomen op dit nieuwe eiland!








Hello Anne!
So nice to read about your adventures!
Back to Basic with Trixie ❤️🫶🏽💙🇬🇷
Lot’s of Love from me and Lisa!
Prachtig stukje leesvoer weer, met dat grijze weer in Nederland om jaloers op te worden. En goed om te zien dat Trixie weer onderweg is.
Pserimos, Kalymnos, Kos… brings back memories… 🙂
Wat leuk weer over je avonturen te lezen.
Jij als power vrouw. Nu weer thuis op je eigen zeilboot. Geniet van Nisiros een vriendelijk eiland. Gr Chantal
Hoi Anne,
het is weer een waar genoegen van jouw flessenpost te mogen genieten!
Mvg, Cees
(“al waait er af en toe net genoeg bereik naar binnen”) Geniaal!
Anne, wat leuk om weer van en over je te lezen. Ik was al benieuwd hoe het met je zou gaan.
Erg leuke manier van schrijven en prachtige avonturen.
Volhouden en genieten. Grt Jeroen, Grave.
Heerlijk om te lezen weer.
Bedankt
Pingback: De kunst van het vertragen - Zeilboot Ataraxía