Ik word wakker in de haven van Pythagoreion met een bescheiden kater en een gematigd gevoel van schaamte. Gisteren is mijn ontmoeting met de bootburen in eerste instantie uitgelopen op een ongevraagde lezing over het belang van matigheid en eenvoud in Epicurus’ levensfilosofie (van mijn kant, natuurlijk), en daarna in een avond waar matigheid en eenvoud beslist niet de boventoon voerden. Nu voel ik de sporen van de ‘flying dutchwoman’ cocktails kloppen in mijn slapen, en begrijp ik weer waarom Epicurus zo hamerde op het herkennen en vermijden (en dus niet het vervullen) van overbodige behoeftes. Enfin, ik zal geen lange verhandeling over zijn werk afsteken; ik heb duidelijk zélf nog het een en ander te leren…
Ik neem afscheid van de buren en koers naar het oosten. Ik heb mijn boeg gericht naar de hoofdplaats Vathi, want misschien is daar in het archeologisch museum of in een boekenzaak of op een pleintje achteraf wél een spoor van mijn Denker te vinden. Mijn zoektocht in Pythagoreion leverde op dat gebied weinig op. Er staat een mooie zuidenwind die mijn hoofd schoonwaait. De stilte en het ritme van de zee doen de rest.
Langs de Oriënt
We naderen de kust van Turkije: de zeestraat tussen Samos en het Turkse vasteland is amper een zeemijl breed. De wind balt zich er krachtig samen en schiet ons met zijn wijsvinger door de opening naar het oosten. Met alleen de fok lopen we 6,5 knoop en het laatste restje watten in mijn hoofd maakt plaats voor opperste concentratie om de boot op koers te houden.
We waaien bakboord uit naar het noorden en ronden in een paar uur tijd de noordoostkant van het eiland. De zuidenwind is inmiddels omhooggeklommen tegen de steile helling, en buldert door de baai van Vathi over de heuvels naar beneden. Tegen de wind in naar Vathi hakken zou uren duren, een onnodige worsteling waar ik geen zin in heb. Ik vaar dus rechtdoor naar Kokkari, een kleine haven met een kade voor mij en Trixie alleen. De wind waait nijdig door de lijnen, maar de zee is kalm en rustig. Een prima plek om het laatste beetje roes uit te slapen.
Kokkari
Kokkari is een schattig uitziend plaatsje met een uitnodigend strand -als het wat minder hard waait. Te oordelen aan de talloze café’s, taverna’s en winkeltjes draait het op toerisme, maar omdat de Meimaand nog maar net begonnen is, is het er aangenaam rustig. Ik kuier door de kleurrijke straatjes en strijk tevreden neer op een terras, met een boek op schoot en een kop Griekse koffie in de hand, met uitzicht op mijn boot in de haven. De drang om door te varen is van me afgegleden: ik ben al op Samos, verder hoef ik nergens naartoe.
Terwijl ik doelloos rondstruin door de smalle straatjes stuit ik op een muur van een oud pand, volgeschreven met poëtische en filosofische teksten. Kavafis, Aristoteles, uiteraard Pythagoras… Mijn hart veert hoopvol op: ze zullen Epicurus toch niet vergeten zijn? Maar helaas, ook in deze toeristische pleisterplaats bestaat van Epicurus taal noch teken. In gepeins verzonken loop ik met gebalde vuisten terug naar mijn boot.
Die avond ga ik vroeg naar bed: de wekker staat om 4 uur ’s nachts. De wind is wat gaan liggen, het is aangenaam fris buiten. Ik pak de tas die ik heb klaargezet en loop richting het dorp. Een handjevol mensen is het laatste café aan het sluiten wanneer ik als een schim door de schaduwen van het dorp sluip. Ter hoogte van mijn maag voel ik iets dat ik bijna was vergeten: hoe lang is het geleden dat ik voor het laatst kattekwaad uithaalde?
Guerilla philosophy
Ik heb de snelste route goed onthouden en bij de oude muur is niemand te bekennen. Maar de kwast die ik bij me heb is te groot om leesbaar mee te kunnen verven als ik niet de hele muur wil overschilderen. Sta ik hier nu voor niets? Ik haal mijn schouders op en berust me in de aloude methode: vingerverf. Dat mijn illegale kliederpartij dan heel eenduidig terug te leiden is naar mijn vingerafdruk doet er niet toe: de unieke kleur van mijn verf deed dat toch ook al, en bovendien kom ik Samos iets waardevols terugbrengen dat het ergens in de tijd is kwijtgeraakt.
“Nothing is enough for the man to whom enough is too little”, staat er even later in Grieks én Engels op de muur, waar voorheen een lege plek was. Mijn handen zijn oceaanblauw en plakkerig, maar als ik een paar stappen terugdoe is de tekst duidelijk te lezen. Tevreden kruip ik een uurtje later weer in mijn bed, mijn handen stinkend naar PU-thinner. Epicurus is op zijn eigen eiland niet langer een vreemde.
Langs de noordkust
Na een bliksembezoek aan Vathi -de werf aldaar doet niet aan kleine knikspant bootjes, en van Epicurus is ook hier geen spoor- vaar ik door naar het westen. De zuidenwind brengt ons een eind richting Karlovasi, maar tegen het middaguur duiken we in de windstilte achter het bergachtige eiland en gaat noodgedwongen de motor aan. Het ‘duk-duk-duk’ van mijn eencilinder breekt de stilte die zich over de spiegelgladde zee vleit, terwijl aan bakboord een adembenemende kustlijn voorbijglijdt. Hoge, steile bergen met een jas van donkergroen velours, pootjebadend in zee met elegante witte kiezelschoenen. Op de kaart zie ik een piepklein haventje in het dorpje Agios Konstantinos. Ik vind geen informatie in de pilot of de app, maar de verrekijker biedt uitkomst en voorzichtig vaar ik even later het lege haventje binnen.
Agios Konstantinos
Als de lijnen liggen is het alsof Trixie thuisgekomen is. Door het kleine haventje slentert een opa met zijn kleinkind aan de hand, terwijl ze samen naar de vissen kijken. Op het uiteinde van de pier zitten twee tieners doodstil naar hun dobbers te kijken. Op een bankje aan de kade zitten twee oudere dames zonnebloempitten te eten. Een tweetal twintigers zit op de kade notities te maken van voorbijzwemmende walvisachtingen en -bij gebrek daaraan- voorbijvarende boten. ‘Ataraxía – speed: very slow’, lees ik over hun schouder in het logboek. Het zijn studenten marine biologie, die een poosje vrijwilligerswerk doen voor de natuurorganisatie die verderop in het dorp zit. Het is een dorp zonder kapsones, waar niemand een dringende behoefte lijkt te voelen om wat dan ook.
Een wandelpad brengt me langs de weelderige bosrand een eind omhoog, naar het volgende dorp, dat als een korstmos op de berghelling lijkt te zijn gegroeid. Onderweg blijf ik even staan bij een uitzichtplateau. In de verte zie ik de kust van Turkije, en iets verder naar het westen een vermoeden van Chios. Als ik een paar stappen naar voren doe om over het randje te kijken, duikt in de diepte plotseling een klein haventje op met een klein blauwgroen bootje. Dat doet me glimlachen van top tot teen: mijn dappere bootje drijvend op alweer een nieuw stukje van de uitgestrekte zee. Hoe vaak ik dat ook meemaak, het raakt iedere keer weer een gevoelige snaar.
Voorjaarsvreugde
De rest van de middag wandel ik door de heuvels achter Agios Konstantinos, waar het voorjaar in al haar rijkdom de schoonheid van het leven lijkt te willen bezingen. Tinten groen die ik niet voor mogelijk hield, de bougainville begint aarzelend te bloeien, de geur van fenegriek mengt zich geraffineerd met die van de eerste kamperfoelie en een vleugje jasmijn. In elke tuin lijken de rozenstruiken te wedijveren met elkaar om nóg uitbundiger te bloeien, en op muren en straten hebben mensenhanden de patronen van het voorjaar voortgezet in kleurrijke schilderingen. De zwerm bijeneters die af en aan vliegen maken het droombeeld helemaal af: kleurrijk, elegant, melodisch, en ik stel me zo voor dat ze naar honing ruiken.
Eten & drinken
’s Avonds trakteer ik mezelf op een etentje op het strand, want de feestelijke stemming van de natuur heeft me aangestoken. Ik raak aan de praat met een stel -hij Duits, hij Libanees-, en hun vriendin uit Zweden. Ze nodigen me uit voor een drankje, en als de vraag voorbijkomt wat de naam is van mijn boot… Ik kan niet anders dan over Epicurus beginnen en dus praten we over wat het leven een goed leven maakt en waarom Samos een uitstekende plek is om dat goede leven te ontplooien. Zij wonen alledrie op Samos, en ik snap geloof ik wel waarom.
Het wordt een kort nachtje, want natuurlijk verdient ook Agios Konstantinos een handtekening van onze geluksdenker. Voor dag en dauw wandel ik naar het eind van de kade, waar ik een muurtje heb gespot met vrolijke schilderingen. In Vathi heb ik een bosje kwastjes gekocht, dus het resultaat is netter dan dat in Kokkari. “Before we eat and drink, we should look for someone toe at and drink with”, dat leek me passen bij deze gelegenheid.
Langs de westkust
Ik zou wel graag in ‘Sint Kont’ willen blijven liggen, en de dagen in stilte aan me voorbij zien glijden. Maar de wind verandert, en met noordenwind is de haven hier onhoudbaar. Daar heb ik geen pilotboek voor nodig om te begrijpen. Niet lang na vertrek begint er inderdaad een noordwestenwind te waaien die bovendien snel aanzwelt. Nog voor het middaguur kruisen we met gereefde zeilen op naar het westen, om daarna tussen Samos en Fourni naar het zuiden te varen. “Diavlos tis Fourni”, staat er op de kaart; het zal hier met stevige Meltemi wel flink spoken. De ruige zeegang maakt het ons niet makkelijker, en ik voel me een beetje katterig omdat mijn hoofd nog in de zalige rust van Sint Kont is blijven hangen.
Als we Samos ronden en met wind mee weer richting het oosten varen, stuurt mt. Kerkis op de koop toe een stevige katabaat op ons af. Gelukkig kwam dat niet als een verrassing, en met alleen de werkfok gehesen stormen we met donderend geraas, maar met alles onder controle, de langgerekte baai van Marathokampos binnen.
Paleis van eenvoud
De volgende ochtend heb ik een afspraak op het strand met Matty en Ron. Ik heb ze een jaar of drie geleden leren kennen in Pylos, toen ik daar nog met de Vrijstaat lag en zij met hun ‘Coco’ op weg waren naar Samos. Eigenzinnige mensen zonder opsmuk, die zonder omhaal vertellen waar het op staat. Ik mag ze graag, en er is veel om over bij te praten. Hun boot -bescheiden formaat, prachtig ontwerp, degelijk gebouwd en eenvoudig uitgerust: wat wil je nog meer?- ligt inmiddels te koop, omdat ze besloten hebben op Samos te blijven. We wandelen samen de heuvel op naar hun nieuwe thuis in Marathokampos. Een waar paleis, voor wie gewend is aan het wonen op een kleine boot. Stralend leiden ze me rond: twee afzonderlijke kamers, een heuse badkamer mét wasmachine, een echte keuken én een kleine patio. Zo blijkt maar weer: wie eenvoud omarmt, is sneller tevreden.
's Eilands hoogste
Toen ik verwaaid lag in Ikaria heb ik dagenlang naar Kerkis zitten turen, met 1433m de hoogste top van Samos. Het was alsof hij naar me lonkte: “waar blijf je nou met je bootje?”. Ik besluit een oude hobby nieuw leven in te blazen: het beklimmen van ’s lands hoogste, in dit geval dus ’s eilands hoogste. Ik heb al gezien dat Samos een goed netwerk van gemarkeerde wandelpaden heeft, en Matty en Ron geven me een kijkje in hun wandelboekjes. Ook geven ze me de gouden tip dat er vlak onder de top een kleine kapel gebouwd is, die geschikt is voor gestrande wandelaars. Er schijnt een open haard te zijn, een waterbron, een keukentje, en een paar dekens om jezelf warm te houden.
Het klinkt me in de oren als een prachtig klein avontuur, dus pak ik mijn kampeerspullen in die al jaren ongebruikt in het vooronder op beter tijden hebben liggen wachten. Bij de lokale supermarkt koop ik pinda’s, pasta en ander proviand in, en ik zorg voor voldoende water voor onderweg.
De hoogte in
De volgende morgen bind ik om acht uur ’s ochtends mijn dinghy aan een boom en ga op pad. Het is lekker weer, zonnig maar in de frisse ochtendlucht nog niet te warm. Het pad gaat steil omhoog naar het dorp Marathokampos, en van daaruit de heuvels in door het bos. Bij een kleine kapel krijg ik koffie aangeboden van de vriendelijke beheerders: een aangename rustpauze. Daarna loop ik verder langs het civil war monument, waar het officiële en goed gemarkeerde wandelpad begint.
Ik loop omhoog door een uitgestrekt bloemstuk van geel, wit, groen en paars, tussen rotsen en struikgewas onder een blauwe hemel. Het is hier prachtig, en in de diepte ligt een klein blauw bootje voor het strand dat ik van tijd tot tijd kushandjes toewuif. Tegen lunchtijd kom ik aan bij de kapel van Profitis Ilias. Ik haal mijn lunch tevoorschijn en ga op een muurtje zitten, met uitzicht op de baai. Ik voel me intens tevreden, in mijn eentje op een bergtop met uitzicht op mijn bootje, mijn droompje dat na al die tijd toch nog plotseling waar geworden is.
Naar de top
Mijn spullen laat ik achter bij de kapel -er is hier niemand, en onder toeziend oog van de Heilige zal niemand mijn oude slaapzak durven stelen- en loop zonder bepakking, maar met krijsende kuiten naar de top. Hoewel ik graag wandel, ben ik 1400 hoogtemeters met bepakking niet gewend, en mijn spieren laten duidelijk weten dat ze het wel mooi geweest vinden. Ik heb de tijd, dus ik doe het rustig aan, en ploeter gestaag verder. Een uurtje later sta ik op de top, met 360 graden uitzicht over Patmos, Fourni en Ikaria, en aan de andere kant Chios, Samos en Turkije. En natuurlijk ligt daar in de diepte als ik héél goed kijk nog steeds dat blauwe bootje, alsof ze met me mee op pad is.
Het topboek is verzopen bij de laatste voorjaarsregens, en mijn pogingen er iets in te schrijven zijn tevergeefs. Gelukkig was ik voorbereid en heb ik mijn watervaste stift meegebracht. Op de sokkel van het topkruis is gelukkig nog plek voor een beetje Epicurus: “While you are on the road, try to make the later part beter than the earlier part, and be happy when you reach the end”.
Camping bergkapel
Aan het einde van de middag ben ik terug bij de kapel. Er is inderdaad een open haard en een volledig uitgeruste keuken, met volle gasfles en fornuis. De waterbron ligt honderd meter heuvelafwaarts, maar ik vind een aantal jerrycans waarmee ik water in kan slaan. De winter is nog maar net voorbij en de luchtvochtigheid in het keukentje is zo hoog dat de paddenstoelen letterlijk uit de muren groeien. Ik maak een vuur van sprokkelhout om het vocht te verdrijven. In het gootsteenkastje vind ik schoonmaakmiddel en een sponsje waarmee ik de schimmels van het aanrecht en fornuis boen. Kokend water doet de rest; het helpt ook dat mijn tolerantie voor viezigheid gelukkig hoog is.




Met een groot bord pasta op schoot kijk ik hoe het laatste licht boven zee plaatsmaakt voor de sterrenhemel. Daarna kruip ik in mijn slaapzak naast het haardvuur van sprokkelhout. In een regenboog van kleuren kruipt de zon de volgende morgen boven de horizon uit. Ik zou hier dagen kunnen blijven, met een goed boek en een schrijfschrift, maar daar beneden in de diepte lonkt mijn bootje. Ik pak mijn spullen in en loop de berg af, maar met mijn hoofd nog in de wolken, terug naar huis.




Hoi Anne, weer genoten van je belevenissen en van Epicuris.
Ga zo door met genieten.
Groetjes, mv Epicureo
Heerlijk hoe je je avonturen beschrijft! Ik geniet met je mee! Groetn uut Grunn!
Dankzij jou steeds meer bekendheid en bewondering voor Epicurus. Mooie teksten!
Zo komen we onszelf – zonder dat ik zelf hoef te schrijven – toch weer tegen in een prachtig geschreven blog ☺️! Hopelijk zien we je snel weer terug voor meer Samos avonturen.
Heerlijk avontuur weer Anne-Margot, “guerilla-filosoof”! 😄
Dank je wel Anne voor dit heerlijke verslag! Goed reizen verder!