Ik lig verwaaid in de haven van Ikaria als de telefoon gaat: of ik tijd heb om dit voorjaar een boot over te varen van Tenerife naar Galicië? Het gaat om zeiljacht ‘Zeezot’, een prachtige Koopmans 40 in aluminium. Ik ken het schip en de eigenaren van een afstand, via facebook, omdat we zo’n vijf jaar geleden ongeveer tegelijk uit Nederland vertrokken. Tussen vertrek- en eindhaven ligt ongeveer 1000 zeemijl aan open zee, maar met de verwachte windrichting in dit seizoen (pal tegen) is een tocht van een week of twee te verwachten. Ik werp een blik op mijn agenda: vanaf eind juni heb ik 5 weken open staan. Voordat ik er te lang over na kan denken heb ik ingestemd en de eigenaar Marcel -die tot de snelle beslissers hoort- ook.
Voorbereidingen
Tijdens een schippersklus in Griekenland besteed ik de siësta’s en de avonduren aan het maken van een tochtenplanning. Als mijn gasten naar huis zijn en ik de boot veilig aan een meerboei heb achtergelaten stap ik op het vliegtuig naar Tenerife, waar ik Marcel voor het eerst de hand schud. Hij blijkt al snel te lijden aan eenzelfde aan waanzin grenzende liefde voor mooie, degelijke boten als ikzelf, en blijkt bovendien een zeer aimabel en boeiend mens.
De overtocht naar Galicië maak ik niet alleen: tot mijn grote plezier hebben Nicola en Jonas, twee bevriende solozeilers, ermee
ingestemd om samen met mij een paar weken de oceaan op te gaan op een voor ons onbekende boot. Nicola monstert het eerst aan. Ik ken weinig mensen die zo vol overtuiging van het zeilersleven houden als zij en haar opgewekte karakter, haar vastberadenheid, haar betrouwbaarheid en haar goede gespreksstof maken haar mijn ideale co-schipper
Met zijn drieën lopen we Zeezot helemaal door. Motor, zeilen, staand en lopend want, bedrading, afsluiters, reserve-onderdelen en cruciaal gereedschap: onherroepelijk duikt er vroeg of laat een technisch probleem op, en dat moeten we op volle zee wel kunnen oplossen. Gelukkig is de boot niet alleen degelijk gebouwd, maar ook goed uitgerust en onderhouden.
Daarna rijden we naar de Lidl om proviand in te slaan. Omdat ik meestal na 10 minuten weer buiten sta met een tollend hoofd en zonder boodschappen, is Nicola’s pragmatisme een godsgeschenk. Hoe veel eten drie hongerige zeilers op een tocht van ruim twee weken? Niemand die het precies weet, maar we vinden de juiste balans tussen houdbaar en vers, simpel en voedzaam, gevarieerd en lekker.
Nu boot en boodschappen klaar zijn, is het tijd om ons over het weerbericht te buigen. Met vooral veel harde tegenwind en halverwege een grote windstilte is het geen vooruitzicht om over naar huis te schrijven, maar dat is wel precies wat ik doe: we overleggen met mijn broer en walnavigator Douwe, en met een aantal andere bevriende ervaren zeilers. Uiteindelijk is iedereen het eens: vertrek zo spoedig mogelijk, want van wachten wordt het alleen maar slechter.
Klaar voor vertrek
Op woensdag laat Marcel zijn boot in onze handen achter, en vertrekt met een vier uur durende vlucht naar Galicië. Een paar uur later verwelkomen we Jonas. Hij maakt ons drietal van solozeilers compleet, en past er naadloos tussen: net zo verslingerd aan het zeilersleven, net zo’n voorliefde voor degelijke boten, en net zoveel waardering voor de eenvoud op
zee. Een solide persoonlijkheid met een betrouwbaar, invoelend en scherpzinnig karakter, zonder hinderlijk groot ego, maken het kwaliteitenlijstje van mijn tweede ideale co-schipper af.
Die nacht slaap ik onrustig, malend over dingen die ik bang ben over het hoofd te zien. Om half drie schrik ik wakker. Het is warm in mijn hut, en ik meen vaag de zure, zwavelachtige walm te ruiken van gekookte accu. Ik schakel de laadstroom uit en open de accukist. Die is warm, de accu staat bol en de voltmeter wijst een verdrietige 11 volt aan. Met mijn neus is dus niets mis.
De volgende ochtend zoek ik contact met Marcel, en samen lossen we het accuprobleem in een ommezien op. Nicola neemt de bus naar het dichtstbijzijnde dorp, waar Marcel een nieuwe accu heeft laten klaarzetten. Nog voor het ontbijt wijst de voltmeter ook zonder laadstroom zo’n 13 volt aan. Na een laatste warme douche en een uitgebreide veiligheidsronde zijn we klaar om te vertrekken, met de eerste horde al in ons kielzog. Een goed begin!
Rond het middaguur starten we de motor en gaan de lijnen los. De haveningang is smal en hobbelig, maar Zeezot stoomt lekker door. Het zeil kan omhoog, het midzwaard naar beneden, de kluiver bij: we zeilen! Om rustig te kunnen inslingeren steken we een tweede rif, nog iets verlegen met het reefsysteem aan de mast. Daar zullen we gauw genoeg handigheid in krijgen… Boven de wolken torent, alsof hij ons uitzwaait, de top van El Teide.
Achter Madeira
Tweeënhalve dag varen we zo scherp mogelijk naar het noorden, een koers van ongeveer 320 graden. Aan alle kanten is tot over de horizon niets dan zee te zien, maar op dag drie valt rond het middaguur plotseling de wind weg. Bijna gelijktijdig piept de satelliettelefoon: “Jullie varen de windstilte achter Madeira binnen”. Douwe heeft ons goed in het vizier, en de Grib-files die de luwte achter Madeira intekenen zijn blijkbaar erg nauwkeurig. Ongelofelijk dat we op een afstand van minstens 50 mijl de invloed van die kleine rotspuist in zee toch zo onmiskenbaar merkbaar is.
De wind trekt al snel weer aan, en de zee bouwt op. Langer en trager dan in Griekenland, omdat de oceaan onmetelijk veel dieper en weidser is dan de Middellandse zee. Een grote blauwe massa tilt Zeezot op en laat haar met een zachte moederhand weer neerglijden in het golfdal. Meestal tenminste, want zo nu en dan raakt Zeezot uit het onnavolgbare oceaanritme, en beukt een golftop donderend en bruisend tegen haar metalen boeg. Soms is de golf juist sneller dan Zeezot kan bijbenen en worden we hardhandig het golfdal ingesmeten.‘Klabám!’: het anker dat vastgesjord zit op de roller heeft wat speling opzij, en hoewel dat geen kwaad kan maakt het wel veel herrie. Meermalen ga ik naar voren om te kijken wat ik aan het gedreun kan doen, maar op het bokkende voordek is nu niet zoveel meer te beginnen. We zullen eraan moeten wennen.
Yankee down
Als de zesde avond valt neemt Nicola mijn wacht over, en is het dus Jonas’ beurt om te koken. Zeezot stampt en ploetert naar het noordoosten over een steeds ruiger wordende zee, en om het onszelf makkelijker te maken overweeg ik de yankee te verwisselen voor de fok. Koken aan boord wordt steeds uitdagender, vooral nu we over stuurboord varen en de kombuis dus aan de hoge kant is. Groenten hebben de onstuitbare neiging op de vloer te belanden tijdens het snijden, pannen glijden ondanks het cardanisch fornuis koppig van het vuur af en de basale vaardigheid van iets ergens in schenken vereist een nauwkeurige berekening van de juiste hellingshoek. Tel daarbij op dat we zelf ook heen en weer gesmeten worden, en je snapt dat een avondmaaltijd bereiden heel wat acrobatische kookkunsten vereist.
Aan de andere kant is zeil minderen jammer, omdat we nou net een mooie vijf knopen de goede kant op lopen. Om fatsoenlijk door de deining heen te kunnen breken, hebben we die snelheid ook nodig. Met te weinig zeil komen we bedroevend langzaam vooruit, en het is nog een goede duizend mijl naar Galicië. Het is balanceren tussen comfort en prestatie, en ik twijfel.
‘KlaPANG!’ zegt de volgende grote golf, en Nicola en ik kijken elkaar fronsend aan. Achter het grootzeil horen we de yankee plotseling klapperen. In twee tellen sta ik aangelijnd aan dek: de val is van de yankee losgekomen, dus zakt het zeil langzaam naar beneden. Ik gebaar naar Jonas, die zijn kookkunsten voor de gelegenheid heeft onderbroken, om de yankee in te rollen en in minder dan geen tijd zit het zeil veilig en strak op furler. Nicola rolt intussen de fok uit, zodat we even later iets langzamer, maar veel comfortabeler, kunnen doorvaren naar het noordoosten. Het is alsof we al jaren samen varen. Als bonus ben ik ook direct van mijn besluiteloosheid verlost.
Hoog bezoek
Een zeemeeuw zweeft een eindje met ons mee, schijnbaar ongehinderd door de stevige tegenwind. De trim van zijn vleugels is volmaakt en verfijnd, zelfs Zeezot klappert meer dan hij. Met zijn vieren (Zeezot meegeteld) hopen we dat hij landt op de zeereling, maar na een aantal aarzelende pogingen durft hij het toch niet aan. We voeren hem een aantal crackers, omdat we niets beters bij de hand hebben. Je vraagt je af wat zo’n dier hier in zijn eentje doet, een heel eind uit de kust, tussen Madeira en de Azoren. Maar dat zal hij van ons evengoed wel denken.
Bakzeil
Ik word waterig wakker met het eerste zonlicht. Eerst maar eens koffie, dus struikel ik mezelf in mijn kleren en klamp me vast aan de kajuittrap terwijl ik koffiezet. Een grote golf laat Zeezot overhellen, zodat de inhoud van mijn volle mok nu jammerlijk in de bilge verdwijnt. Dweilen is een avontuur op zich, maar niet veel later nestel ik me met een verse kop koffie naast Jonas in de kuip, om via iridium de nieuwste weerberichten binnen te halen. De afgelopen dagen stuurden we met moeite een bedroevend langzame koers van 320 graden, onze hoop gevestigd op een weervenster dat ons met drie volle dagen noordwestenwind een heel eind de goede kant op zou moeten brengen. De nieuwe berichten zijn teleurstellend: ons weervenster is vrijwel uit het weerbeeld verdwenen. In plaats daarvan blijft het uit het noorden waaien, en krijgen we later opnieuw een harde noordooster.
Terwijl ik tijdens mijn wacht peins over de implicaties draait de wind en verandert onze koers naar een armzalige 310 graden, 300 graden, 290… Nu varen we meer naar het Westen dan naar het Noorden, terwijl onze kans om vlot naar het oosten te varen juist is verdwenen. Ik tuur naar de plotter, die heel behulpzaam laat zien dat we aansturen op de kust van Alaska. Als Nicola is opgestaan overleg ik met haar en hak een knoop door: het is zinloos om naar het westen te varen als we eigenlijk naar het noordoosten willen. We zijn bijna halverwege onze watervoorraad, de laatste dagen liepen we een armzalige drieënhalve knoop, en het is nog zeker 800 mijl naar onze beoogde bestemming. Op basis daarvan is de noordkant van Galicië niet realistisch, en kunnen we beter aansturen op de westkust van het Iberisch schiereiland.
Terwijl er een druilerige bui overtrekt gaan we dus overstag, in de hoop pal oost te kunnen varen. Maar de wind is met de bui mee gedraaid en de koers over de nieuwe boeg is een armetierige 100 graden: nu varen we volgens de plotter naar Marokko. Met zorgvuldig trimmen, bijstellen van de windpilot en zorgvuldig bijelkaar geschraapt geduld wachten we af of de koers beter wordt, maar scherper dan 90 graden wordt het niet. Walnavigator Douwe smst ons: “huidige koers naar gebied met 30+ knopen en 4m+ golven”.
Niet veel later spot Jonas, die inmiddels uit zijn bed gevallen is door onze overstagmanouevre, een groep dolfijnen. Spotted dolphins, die komen in de Middellandse Zee en de Noordzee niet voor. Ze zwemmen heel nadrukkelijk naar het noordwesten, en hebben weinig tijd om zich met Zeezot te bemoeien. Dat geeft het laatste zetje: we halen bakzeil en gaan opnieuw overstag. Met een lange deining en een opnieuw getrimd zeil zetten we met een mooie vijf knopen de achtervolging in.
Tijdsbesef
Nu we ons erbij hebben neergelegd dat de wind ons verder naar het noordwesten dwingt, neemt het ritme van de zee het over van het ritme van dag en nacht. Het wachtschema verdeelt de dagen in cycli van 9 uur: 3 uur op, 6 uur af. De beste dagen zijn die waarop je wacht van 9 tot 12 uur ’s avonds valt, zodat je na een spectaculaire zonsondergang als een normaal mens van middernacht tot het ochtendgloren een poging kunt doen tot slapen. ’s Ochtends zie je de zon dan weer in al haar glorie boven de zee uitklimmen.
Rotdagen zijn die waarop je om 3 uur ’s nachts naar buiten moet, om daarna van 6 tot 12 te kunnen slapen, terwijl je net toe bent aan zonlicht en koffie. Alsof dat niet genoeg is heb je op die dagen ’s avonds kombuisdienst, wat op een stampend en hellend schip een serieuze uitdaging is voor de meesten van ons. Maar heb je geluk, dan is het uitspansel helder en staat er als troost een duizelingwekkende sterrenhemel, terwijl de zee oplicht van zeevonk. Genoeg lichtpuntjes in de duisternis.
Toch zijn het niet langer zonsopkomst en -ondergang die de dagen markeren, maar de bladzijden in ons logboek: elke dag is een bladzijde, elke bladzijde heeft 12 regels, voor elke wacht één, plus een paar extra voor bijzonderheden. Buiten het logboek heeft de datum en de dag van de week elke betekenis verloren. De dagen rijgen zich naadloos aaneen, raken versmolten in een voortdeinende massa van tijd. Ook ons bioritme past zich aan, verandert ons in beren in winterslaap, levend op de driekwartsmaat van slapen – eten – naar de zee kijken.
Yankee hoog
Als de wind na niemand-weet-hoeveel logboekpagina’s ploeteren eindelijk afneemt tot 15 knopen, is het tijd om de yankee opnieuw te hijsen. Ik ben Marcel dankbaar voor de reservevallen in de mast die klaar zijn voor gebruik, want in de mast klimmen op een deinend schip is ook mij een brug te ver. We bereiden alles goed voor, gaan bijliggen onder fok en grootzeil, en hebben de yankee in een ommezien naar beneden en weer omhoog. Nicola staat aan het roer en bedient de schoten, ik zorg op het voordek dat de pees van het voorzeil netjes in en uit het profiel glijdt, terwijl Jonas aan de mast het zeil omhoog liert. Zeezot reageert meteen door 1,5 knoop sneller te lopen. Een uitstekende samenwerking!
De slaap vatten
Donderend geraas door een golf die schuimend breekt tegen Zeezots boeg. In de klankkast van de kajuit klinkt het alsof Poseidon zelf ons met zijn drietand van de wereld heeft geslagen, en omdat ik net droomde over golf van monsterlijke proporties, schrik ik wakker. Buiten zie ik Jonas (of Nicola, want het scenario herhaalt zich) ontspannen in de kuip zitten. Ik kan het niet laten om even te gaan buurten: bestaat de wereld nog, varen we nog boven water, staat de mast nog overeind? En wat is de snelheid, de koers en de wind? En trouwens: thee? “Anne, ga naar bed”, is dan meestal het geruststellende antwoord.
Dat slapen is -net als alle andere basale bezigheden, zoals koffiezetten en naar de wc gaan- zo eenvoudig nog niet. Zeezot is gelukkig geen catamaran en helt dus voortdurend over naar één kant. Daarom slaap je het beste aan de lage kant van de boot. De zwaartekracht duwt je dan tegen de wand aan, maar dat is altijd nog beter dan de hoge kant: daar hang je als een ongelukkige vis te spartelen in het netje dat als slingerkooi dienstdoet. De achterhut heeft een comfortabele wand als we over stuurboord varen, maar de EHBO-kisten die daar gestouwd staan hebben de neiging zich nogal opdringerig tegen je aan te vleien. Over bakboord vormen diezelfde kisten een oncomfortabele ligplek, dus dan is het beter om dwarsscheeps te slapen -al is dat ook geen sinecure als je langer bent dan 1.80m. ‘s Ochtends bij het ontbijt wisselen we onze strategieën uit en om iedereen zoveel mogelijk slaap te gunnen, wisselen we onze slaapplekken dus af. Mijn bed is jouw bed, aan boord is maar weinig ruimte voor privé.
Ziedende zee
Nu de yankee weer meedoet lopen we eindelijk weer een goede vijf knopen. De wind draait bemoedigend naar het noordwesten, zodat we opeens een mooie noordelijke koers kunnen varen om de Costa del Muerte heen. Galicië is opeens een heel stuk dichterbij. “And now, the end is near…” hoor ik Jonas bassen, en Nico en ik vallen hem uit volle borst bij.
Een epos is geen epos zonder bijbehorende spanningsboog. Dus hoort er op driekwart van het verhaal een tegenslag te komen, die de hoopvolle stemming doet verdampen. Aeolus, die blijkbaar wel houdt van een epische afloop, stuurt nog maar eens een harde noordooster op ons af. De gribfiles laten 30 knopen zien, en golven van 3,5 meter hoog. Ik geef de hoop om de Costa del Muerte te ronden definitief op, en richt mijn pijlen op de Rias Baixas. Ik durf er niet op te rekenen, maar de weerberichten fluisteren over een zachte bries uit het zuidwesten als de sterkste wind voorbij is.
Om het donkerrode gebied in de grib te vermijden besluiten we niet op te kruisen of af te vallen, maar af te remmen. We zetten het derde rif en de fok, en varen zo scherp mogelijk. De snelheid daalt tot 3,5 knoop, maar de rustiger zeegang geeft ons een goede nachtrust, die we nodig gaan hebben. Op die manier laten we het slechte weer voor ons langs passeren, zoals we dat ook bij een snelvarende olietanker zouden doen.
Het is maar goed dat we inmiddels goed zijn ingeslingerd en niet meer opkijken van windvlagen of aansnellende golven. Dat Zeezot een sterk schip is wisten we van tevoren, maar is inmiddels ook in de praktijk gebleken, en vol vertrouwen varen we richting windkracht 7. Geen storm, geen noodweer, alleen flink tegen de wind in beuken. In de kajuit kraakt, dreunt en trilt het interieur, maar in de kuip tijdens de wacht is er niet veel aan de hand. Zeezot stuurt zichzelf dapper verder onder gereefd zeil, en wij kijken toe hoe ze langzaam door het heuvellandschap van zout water danst. De ruige zee beukt en briest, maar vijandig wordt het nooit: alsof hij zin heeft om te stoeien, meer niet. Het liefst sta ik rechtop op de kuipbank, met een hand aan de hardtop om mezelf overeind te houden, terwijl zoutspray en zeeschuim me om de oren vliegt. De kracht van wind en water is overdonderend, maar ik ben vooral onder de indruk van hoe Zeezot desondanks gewoon haar koers vervolgt. Ik voel me nietig in dit landschap van aanstormend water, maar tegelijk ook veilig en geborgen in de wetenschap dat ik op boot en bemanning kan vertrouwen. Alert ben ik doorlopend, maar geen moment bang. Dat grote vertrouwen is een groot goed, en ervaar ik nu sterker dan ooit.
Ode aan een vlakke zee
Precies volgens afspraak neemt de wind ’s nachts eindelijk, voor het eerst in twee onstuimige weken, af tot minder dan 15 knopen. Beetje bij beetje zetten we meer zeil tot we uitkomen bij vol tuig, terwijl intussen ook de deining afneemt. De autopilot neemt het over: voor een windpilot is wind nodig, en die is wonderbaarlijk genoeg plots helemaal verdwenen, dus ook de motor gaat aan.
Het is vochtig en bewolkt buiten, alsof iemand een klamme deken over de wereld heeft gelegd. Toch openen we de luiken om de bedompte ruimtes benedendeks te kunnen laten luchten, nu het water ons niet meer onophoudelijk door de gangboorden klotst. We vegen de kajuit aan, reorganiseren de koelkast en hangen de muffe handdoeken buiten. Heel langzaam steekt een aarzelend briesje uit het zuiden op, dat we bijna niet herkennen omdat alles onder de 20 knopen aanvoelt als windstilte. Maar als we de motor uitzetten voor een korte motorcheck, blijken we tot ons grote genoegen rechtstreeks naar Vigo te kunnen zeilen.
Zonder te morsen geef ik Nicola twee volle mokken koffie tegelijk aan en nadat ik een tijdje op mijn rug op het voordek heb liggen kijken naar de schoonheid van twee bollende voorzeilen, doe ik aan de hoge kant van de kajuit een dutje. Het geluid van kolkend, beukend, dreunend water heeft plaatsgemaakt voor een zacht metalig kabbelen en klotsen: muziek waar zelfs J.S. Bach niet tegenop kan. Zeezot is in haar element; in vol ornaat met alle zeilen bij glijdt ze kalm, gracieus en sierlijk door de golven, als een paard dat na gedane arbeid in de wei mag uitdraven. Jonas is intussen uitgebarsten in voorjaarsliederen, als om de zon te dwingen door de wolken heen te dringen. Zeilen alsof het vakantie is: we hebben er allevier naar uitgekeken.
Welkomstcomité
Op de laatste etappe van de reis loert er nog één gevaar. Sinds een aantal jaren zwemmen er langs deze kust een paar verveelde orka’s die de hobby hebben ontwikkeld om passerende zeilboten tegen hun roerblad te rammen. Talloze boten hebben de laatste jaren de haven in moeten kreupelen met zware schade aan de roerinrichting, of erger. De beelden die er online rondgaan over de aanvallen zijn indrukwekkend en fascinerend, maar maken we liever niet mee in eerste persoon.
De avond voor aankomst houden we qua snelheid wat in, zodat we aan de aanloop kunnen beginnen bij daglicht. De windpilot halen we binnenboord en de stuurautomaat is er gistermiddag uit zichzelf al uit voorzorg mee gestopt, zodat die niet beschadigd kan raken bij een eventuele aanval. We sturen dus op de hand en zijn extra alert op grote zwarte vinnen. Gelukkig staat er een stralend heldere volle maan, zodat we ten minste weten met wie we van doen hebben.
Meermalen duiken er ‘s nachts onheilspellende zwarte vinnen op in het zilveren maanlicht, maar het roerblad blijft gelukkig onaangeroerd. Als ’s morgens de maan de wacht wisselt met de zon, en ik net de wacht wissel met Nicola, zie ik een zestal vinnen richting Zeezot zwemmen. Mijn hart maakt een sprongetje van blijdschap, want het zijn dolfijnen en het kan niet anders dan dat ze ons komen begeleiden, als welkomstcomité en persoonlijke bodyguards. Het is nergens op gebaseerd, maar ik weet zeker dat de orka’s wegblijven zolang we geflankeerd worden door dolfijnen.
Nicola neemt het van me over, en ik ga omringd door dolfijnen op de boeg zitten om de brok in mijn keel weg te slikken. In het vroege ochtendlicht doemen heuvels op, een eiland, en dan een stad… Ik zou blij moeten zijn en opgelucht, misschien zelfs trots, maar in plaats daarvan neemt de weemoed me in zijn greep. Ik zwaai een afscheidsgroet naar de verdwijnende maan, die met het opkomende zonlicht verdwijnt. “Mag ik niet met jullie mee?”, vraag ik mijn dolfijnen, want hoe onstuimig de tocht ook was, de eenvoud en het ritme van het leven op zee heeft in mijn hoofd een stilte gecreëerd die in een stad niet kan gedijen. Het bootleven dwingt tot eenvoud, beperkt je blikveld tot het hoogstnoodzakelijke. Boot en bemanning (m/v) worden één, zorgen voor elkaar, houden elkaar veilig. Zonder ons zou de boot niet varen, zonder boot gingen wij nergens heen, en in mijn eentje had ik deze overtocht nooit aangedurfd. In totale afzondering van de rest van de wereld schept dat een verbondenheid die me raakt, en een relatie tot de ons omringende elementen die ik liever niet opgeef.
Terwijl de zoute tranen langs mijn zoute wangen stromen moet ik lachen om de capriolen van mijn troostdolfijnen. Deze aankomst met dit welkomstcomité is tegelijk ook een afscheid is, en daarom sta ik te huilen terwijl ik eigenlijk zou moeten lachen.
Vigo
Exact zestien dagen na vertrek varen we de haven van Vigo binnen. We diepen de stootwillen en landvasten op uit de voorpiek en ik stuur Zeezot heel langzaam langszij. Jonas en Nicola stappen af en knopen vast: twee lijnen voor, twee lijnen achter: het is ons gelukt, we zijn in Galicië! Met een grote grijns stap ik -wat wankel op de zeebenen- van boord en omhels mijn onverwoestbare, koersvaste, volhardende en onmisbare bemanning. Heel blij, heel opgelucht en misschien zelfs een heel klein beetje trots…




Wow je verhaal over het overbrengen van de zeezot is geweldig.
Humor, spanning en het gevoel.
Bedankt weer. In 1 adem uitgelezen.
Gr Chantal
Leuk om te horen, Chantal! Dank voor je berichtje 🙂
Wel een geluk dat je wakker werd van die batterij 😉
Ik heb ook maar één woord: fantastisch!
Dank je wel Anne.
Pingback: Najaarsvaart - Zeilboot Ataraxía
Pingback: De kunst van het vertragen - Zeilboot Ataraxía