Nadat de Zephyr ons een zetje gaf langs Kaap Malea, varen we aan de wind met steeds dieper gereefde zeilen naar het noorden. In volle galop passeren we de steile kusten van Laconië, zoutspray door ons want en haren. In de verte doemt een enorm rotsblok op dat uitsteekt in zee: Monemvasia, de eindbestemming van vandaag.
Je ziet Monemvasia van mijlenver al liggen, al kun je de vesting die gebouwd is op de uitstulping in zee pas zien als je dichterbij komt. Met open mond vergaap ik me aan het uitzicht. De rots lijkt op een meteoriet die in zee gestort is, en waarop wij mensen als een mierenkolonie een veilig heenkomen hebben gemetseld. Bovenop de steile rotswand is een vesting gebouwd, omzoomd met een dikke verdedigingsmuur. Daaronder ligt, ook weer ommuurd, een stadje van natuursteen en aardewerk, met zorgvuldig gekozen plukjes groen om het barse uiterlijk van de harde rotsen te verzachten. Een paar witgeschilderde koepeltjes bieden onderdak aan de Here en de Zijnen. Aan de voet van deze vesting klotst een groenblauwe zee, op de achtergrond straalt een helderblauwe hemel. Ik schiet in de lach: het is toch niet te geloven dat deze plek gebouwd is vanuit strategische, en niet uit puur esthetische overwegingen!
Lang kan ik niet blijven turen; de boot heeft aandacht nodig. Bij het naderen van de haven krult de wind om een landtong, en balt zich daarbij tot krachtige vlagen. Ik strijk de nijdig klapperende fok, bind het grootzeil vast op de giek, start de motor en vaar de haven binnen.
Farymann-fanclub
Het haventje is bijna leeg, maar aan de buitenste pier staan twee figuren me op te wachten. De een is onmiskenbaar Waldemar, die hier zo-even met zijn camataran is aangekomen. Ik achtervolg hem niet expres; we moeten nu eenmaal dezelfde kant op, en de wind bindt ons allebei vast op dezelfde route. Gelukkig kunnen we het goed met elkaar vinden, en ik vind het een geruststellende gedachte dat als hij tóch van me af wil, hij met gemak langere dagafstanden zou kunnen maken dan ik.
De tweede figuur is een jongeman die met een enthousiaste grijns mijn lijnen aanneemt. Zodra ze vastliggen licht hij zijn enthousiasme toe: of mijn motor toevallig ook een oude ééncilinder is? Het geluid van mijn motor -een ferm en standvastig ‘doek-doek-doek’- klinkt precies als de zijne. Hij heeft geen ongelijk: hij blijkt een vrijwel identieke Farymann A30 aan boord te hebben van zijn 27-voeter, die tegenover me aan de andere kant van de steiger ligt. Andy, zoals hij zich voorstelt, vaart ook alleen, en ook zijn boot komt uit de jaren ’70. Twee éénpitters met ééncilinders: ik concludeer dat we bij deze vrienden zijn.
’s Avonds worden wij eenvoudige armoedzaaiers uitgenodigd in de ruime woonkombuis van Waldemar, die overigens in de categorie catamaranzeilers zelf óók een armoedzaaier is met zijn 38-voeter. Dat het er trouwens niet toe doet blijkt wel als we even later het diner, ervaringen, reserve-onderdelen, kaarten en boeken met elkaar uitwisselen: Andy’s kaarten van de noordelijke Cycladen gaan naar mij, mijn boekje ‘When I put out to Sea’ gaat naar Andy, en Waldemar krijgt Andy’s reserve-driekleurenlicht. Ik zeg het nog maar eens een keer: wij zeilers zijn een varende gemeenschap, en hulp en hartelijkheid zijn nooit ver weg.
De vesting op
De volgende ochtend schuif ik mijn kajuitluik open met het eerste licht. Andy is al vertrokken, die zou vlak voor zonsopkomst naar het zuiden varen. Om de vesting te bezoeken vóór de toerbussen ben ik vroeg opgestaan, en bovendien heb ik voor vanmiddag een afspraak met Aeolus. Ik loop de poort binnen en zwerf wat door de kleine steegjes, die daar uit zichzelf uit natuursteen gegroeid lijken te zijn en op dit uur van de dag alleen bewoond worden door een paar katten die in de ochtendzon tevreden hun oortjes wassen.
Op het pleintje naast de kerk kijk ik uit over zee. Een eindeloze lege blauwe vlakte, en pas na lang turen ontwaar ik ergens in de verte een minuscuul wit stipje, zo klein dat ik niet zeker weet of het mijn verbeelding is. Toch vaart ergens in dat diepe blauw Andy met zijn bootje, en erg ver kan hij met zijn eencilinder in een windstilte nog niet gevorderd zijn.
Voorjaarsviering
Via de stenen trap loop ik vanuit het dorp omhoog naar de vesting. Zephyros is het voorjaar komen brengen, en dat is nergens zo goed te merken als hier. Tussen, in en op de ruïnes bloeit het voorjaar in alle kleuren van de regenboog, in een uitbundig jubelende visuele viering van het leven. De muzikale begeleiding wordt verzorgd door blauwe rotslijsters, roodborsten, groenlingen en gele kwikstaarten. De lucht ruikt als een bruidsboeket. Ik sta versteld van de kracht waarmee het voorjaar zoveel leven, zoveel schoonheid, zoveel vreugde uit de dorre grond weet te toveren, met zonlicht, regenwater en de bodem als enige brandstof.
Ik zou hier de hele dag wel kunnen rondzwerven, om dat morgen nog eens te herhalen, maar het wordt tijd om te gaan. Er komt een kort weervenster aan van zuidoostenwind, die al snel draait naar een noordooster die voorlopig niet vertrekt. Even na het middaguur vertrekken er dus twee boten uit de haven: Waldemar heeft het weerbericht ook bekeken, en gaat op weg naar Spetses. Onze wegen scheiden hier, want mijn koers loopt verder naar het noorden, naar de baai van Vivari.
Langs Laconië omhoog
De wind is gunstig, al houdt het niet over. Voor de zekerheid hou ik de kust aan, zodat ik als de wind wegvalt een haventje in kan duiken. Maar zolang het waait, varen we door naar het noorden. De zon verdwijnt achter de heuvels en maakt plaats voor een volle maan. Ik noteer in het logboek: “Volle maan, heerlijke wind en zee. De mooiste dag van mijn leven (alwéér)!”. Uiteindelijk valt natuurlijk de wind weg als ik om drie uur ’s nachts midden tussen twee kusten in vaar. Het kan wel even duren voor hij terugkomt: voor de komende dagen staat een windstilte op het programma. Dus gaat de motor bij en vaar ik in een paar uur tijd naar Sabatiki.
Windstilte… De volgende dag is en blijft de zee een spiegelgladde massa. Ook in het haventje van Sabatiki heerst stilte. In dit kleine vissersdorp is niets en gebeurt niets, op het vangen van vis na, en dat dan alleen door de havenpoes. Het komt me goed uit, want ik heb zin in lekker kluizenaren: een boek lezen, een klusje doen, wat schrijven en de havenpoes aaien. De vissers in de haven knikken vriendelijk, maar zwijgen, en ik zwijg vriendelijk terug.
Viva Vivari
De volgende dag staat er zuidenwind vanaf het middaguur. Ik vaar uit op de motor en laat de boot drijven, wachtend op wind. Daarna is het een lange middag met de wind van achteren naar de nauwe ingang van de baai van Vivari, een langgerekte inham ten zuidoosten van de havenstad Nafplion. De opening naar het zuiden toe ligt bij het aanvaren verscholen achter een eiland. De baai is daarom goed beschut. Het anker gaat neer voor een rijtje restaurantjes aan de kade, en houdt meteen. Ik hijs de dinghy van boord, installeer de buitenboordmotor en vaar naar de kade, waar ik inmiddels twee gestaltes heb ontwaard die me bekend voorkomen.
Vriendschap (Philia)
Jessica en Marijn zijn vrienden van mijn leeftijd, die ik ken van toen ik nog in Groningen woonde. Een paar maanden geleden hebben ze Nederland achter zich gelaten en zijn ze met hun hele hebben en houden in een camper naar Griekenland vertrokken, om hier in een oude olijfboomgaard hun eigen huis te bouwen. Ik lig praktisch in hun achtertuin, want hun land ligt hier een kwartiertje rijden hier vandaan en dat is natuurlijk geen toeval. Het is drie jaar geleden dat we elkaar voor het laatst zagen, toen zij nog in hun camper door Europa op verkenning waren en ik nog op ‘mijn’ vorige boot rondvoer, op verkenning voor een andere. Wat is er sindsdien een hoop veranderd!
Wat niet veranderd is, is het ontspannen samenzijn, omdat we elkaar goed herkennen in onze manier van leven. We zijn het met elkaar eens dat je niet veel nodig hebt, dat wat je nodig hebt niet moeilijk te krijgen is, dat buiten zijn gelukkig maakt en dat je het leven vooral niet te ingewikkeld moet maken. Ze zijn zeldzaam goed in staat om met volle teugen te genieten van de schoonheid die hen omringt, en voor mij is het één groot feest om dat gevoel met ze te kunnen delen. Ik waan me in de tuin van Epicurus, omringd door eenvoud, vriendschap en welbehagen. De dagen daarop besteden we aan muurtjes stuccen, bosmaaieren, botanische wandelingen door de heuvels, en we maken een kort boottochtje naar een eiland even verderop. Ook doen Jessica en ik inkopen op de markt in Nafplion, waar we ons vergapen aan de rijkdommen die er in de vorm van vers fruit en groente uitgestald liggen. Kromme komkommers, ongewassen spinazie, asymmetrische tomaten en courgettes met de bloemblaadjes er nog aan: heel anders dan de steriele schappen van de supermarkt, en dat proef je!
Naar de Cycladen... of toch niet?
Ik zou eindeloos in Vivari kunnen blijven liggen want het leven kabbelt er aangenaam voort en het gezelschap is uitstekend, maar de wind draait en geeft me de mogelijkheid om met wind mee de Argolische Golf weer uit te varen. Ik besluit meteen een lange slag te maken, Spetses en Hydra over te slaan en in één ruk door te varen naar het eiland Kythnos, zo’n 80 mijl verderop. Ik vertrek rond het middaguur, maar na een paar uur tegen de wind in de verkeerde kant op hakken wordt het tot mijn frustratie windstil. De noordwestenwind die mij beloofd was blijft vooralsnog uit, terwijl de avond inmiddels valt. Gelukkig komt een grote groep dolfijnen me gezelschap houden, als een school van troost. Ze zwemmen met me mee, doen onder water pirouettes, halen hun vrienden erbij die aan de horizon rare capriolen uithalen. Ze zijn met veel en ze zijn goed gemutst, zodat die windstilte me opeens niet zo veel meer kan schelen.
Wind op komst
Als de zon achter de heuvels zakt zie ik aan bakboord een donkere lijn op het water ontstaan. Dat stelt me gerust: daar is de noordwester, op Griekse tijd, maar toch. Totdat ik die blauwe lijn opeens begin te hóren, alsof er een kolkende rivier mijn kant op komt… Snel haak ik op het voordek de fok aan, nu het laatste daglicht me nog bijstaat. Maar het is te laat, en te weinig: de wind haalt ons in en grijpt ons bij de lurven. Ik worstel de nijdig klapperende genua naar beneden, en zet ook meteen maar een dubbel rif in het grootzeil. Daarna hijs ik de fok, die me opeens wat aan de grote kant lijkt.
Als een renpaard lopen we met ruime wind naar het zuidoosten. De wind zwiept het water omhoog, en even later lopen we vijfeneenhalve knoop voor de wind uit en is Trixie amper nog op koers te houden. Het grootzeil gaat naar beneden en eigenlijk moet ik de fok vervangen voor een kleinere, maar dat is onder deze omstandigheden een hele toer. Ik besluit het zo te houden en om Spetses heen te sturen. Plat voor de wind lopen we weg met de golven van achter. Niet ideaal, wel veilig, maar van slapen komt het niet.
Van veel wind...
Als we Spetses voorbij zijn gaan we bakboord uit richting Hydra. De deining neemt af, dus kan ik de stormfok aanslaan met een dubbel gereefd grootzeil. Zo gaat het beter, en krijgen we meer rust in de boot. Dat geeft mij ook de kans om benedendeks wat uiltjes te knappen. Totdat de wind achter Hydra weer afneemt, en de snelheid te ver terugloopt. Gedaan dus met mijn rust: aan dek om opnieuw het zeil te wisselen. Om vier uur zijn we terug bij genua en vol grootzeil, maar de snelheid blijft teruglopen. Een uurtje later staat de motor te brommen.
Volgens de vooruitzichten zou het voorbij Hydra uit het noordwesten waaien, zodat Kythnos in een lange dag bezeild zou zijn. Maar na twee uur motoren door de windstilte verzucht ik: waar zijn mijn dolfijnen als ik ze nodig heb? Ik moet het hardop gezegd hebben, want nog geen vijf minuten later komen ze vanuit Kythnos mijn kant op dartelen. Ik ga op de boeg zitten en probeer een gesprek te voeren: wat is wijsheid? Krijgen we straks nog wind, en kan ik doorzeilen naar Kythnos? Of wordt het dan eindeloos motoren? Kan ik niet beter naar Poros varen, de dichtstbijzijnde haven?
Ze zwemmen een eind met me mee, zizaggend voor de boot. Uiteindelijk zie ik ze met een grote boog richting Poros zwemmen, terwijl de laatste in de optocht een acrobatische sprong uit het water maakt. Ik heb de boodschap begrepen, en verleg mijn koers naar Poros. Ik speur de ankerplaats af en laat mijn anker zakken in een nog altijd spiegelgladde zee, en proost even later met mijn buurman Waldemar op een vrolijk pasen (met gunstiger wind).

Again…what a lovely post!
Lisa and I are now at Monemvasia with our daughters and their boys. We also finely reach Kevin and Morag here. So nice to read about your experience about Monemvasia when va just came here!
Stay Safe 🩷
Aaah how wonderful! I regret I didn’t have more time there, such a stunning place. Enjoy it, lots of love to your family! 💙🩵
Mooi geschreven. Aantrekkelijk zoals altijd. Mogelijk lukt het ons nog eens om met “Summerwind” in die regio te belanden.
Eerst staan Engeland en Frankrijk op het programma.
Ook ontzettend mooi! Weekje ruilen? 😉
Een prachtig verhaal weer, vooral de dolfijnen volgen naar Poros 🙂
Prachtig hoe je alles beschrijft alsof ik het zelf meemaak. Blijf veilig.