Cherokee ligt aan de kade in Stromness, een vissersplaatsje op de Orkney-eilanden. We zijn aan boord met 3 bemanningsleden en 5 gasten uit Schotland, Engeland en Nederland. We maken ons op voor de oversteek naar de Faröereilanden, die als een paar gemorste kruimels tussen Schotland en IJsland in het uitgestrekte blauw liggen. De weerberichten spreken van een occlusiefront dat vanuit het zuidwesten overtrekt. De meningen zijn tussen de verschillende meteostations verdeeld over het waar en wanneer precies, maar we doen er goed aan om niet te lang te wachten met vertrekken. Het kon anders wel eens onplezierig tochtje worden.
De volgende ochtend vertrekken we dus uit de haven, met de wind pal tegen, maar de stroming mee. Onder het eiland staat een flinke tidal race, en als ik op mijn eigen boot zou varen zou ik rechtsomkeert maken de haven in: mijn 28-voeter zou zich geen weg kunnen banen door dit watergeweld. Steile golfkoppen lijken nijdig hun tanden te willen zetten in elke scheepsromp die ze tegenkomen. Maar Cherokee is 50 voet en uitgerust voor ieder weerstype, en schipper Jouke twijfelt geen moment. Opkruisend tegen de westenwind banen we ons al schuimend en bruisend een weg naar het westen. Als ik om me heen kijk zie ik vijf breed grijnzende gezichten, en twee groene.
Overtocht
In het voorbijgaan zwaaien we aan bakboord naar de Old man of Hoy, een markante rotspilaar van basalt en zandsteen van zo’n 140 meter hoog. Hij zwaait niet terug, maar misschien is van zo’n afstand ons zeil een onwaarneembaar driehoekje tegen een eindeloze donkerblauwe massa. Eenmaal op zee zakt de wind in en varen we met ruime wind richting de Faeröer, 180 mijl noordwaarts. We pikken het wachtschema weer op, en aan het eind van de middag kook ik een eenvoudige warme maaltijd op de cardanische kookplaat die we voor de gelegenheid hebben opgehangen. Daarna is het tijd voor een hazenslaapje, ter voorbereiding op mijn wacht.
Van nachtzeilen is goed en wel geen sprake meer: als ik om half drie ’s nachts de wacht van Belinda overneem, is de lucht vaalblauw en de horizon roze. De zon lijkt niet goed te weten of ze onder moet gaan of juist op moet komen, en hangt nét onder de horizon als een toneelspeelster die in de coulissen snel van kostuum wisselt en weer opkomt.
Schapeneilanden
Als we aankomen is het vroeg in de ochtend, al kan het ook laat in de avond zijn, of midden op welke dag dan ook. De zon houdt zich schuil achter een zilveren sluier van waterdamp, waardoor ook mijn laatste beetje tijdsbesef verdampt. Een tergend zacht briesje duwt ons langzaam in de juiste richting. Langzaam genoeg om de diesel erbij aan te zetten, maar ik durf de stilte niet te verbreken. Wel zwengelt Belinda de radar aan: het is onmogelijk te zeggen hoe ver we kunnen kijken, maar dat het te weinig is om veilig te navigeren is wel duidelijk. De eilanden kun je achter de ondoordringbare mistbanken alleen vermoeden doordat je al vanuit de verte de schapen zachtjes kunt horen blaten. Ook het gras dat ze eten schijn je te kunnen ruiken, als je tenminste een betere reukzin hebt dan ik.
En dan duikt plotseling van achter die grijze deken een eiland op dat het koele ochtendlicht zo heldergroen weerkaatst dat ik mijn ogen een beetje moet dichtknijpen. Ondanks de plotter die ons onze exacte positie laat zien komt het toch nog als een verrassing, en ik stel me voor hoe het opdoemen van dit eiland geweest moet zijn voor al die zeevarende volkeren die het voor hun positie moesten doen met alleen hun eigen zintuigen.
Suᵭuroy
We leggen aan in de haven van Vágur, op Suᵭuroy. ‘Zuidereiland’, of ‘Zuideroog’, zoals ook veel waddeneilanden eindigen in ‘-oog’. In Vágur rusten we uit van de overtocht, en we maken een lange wandeling naar de steile kliffen aan de westkust. Hier strekt de oceaan zich naar het westen uit tot aan Groenland. Van bovenaf hebben we prachtig zicht op de vogels die hier in de rotsen nestelen. Jagers, stormvogels, zeemeeuwen en papegaaiduikers verdringen zich om een plekje in de rots. Iets verder landinwaarts struikelen we opeens over de weidevogels: wulpen, kluten, scholeksters en andere steltlopers waarvan ik de naam niet weet. En waar je ook loopt, overal staan dikbewolde schapen rustig te grazen, zoals ze dat al doen sinds niemand-weet-precies-wanneer.
Als we terugkomen van de wandeling is er naast ons in de haven een prachtig oud zeilschip komen liggen. De Johanna, gebouwd in 1884, werd tot 1972 gebruikt als vissersschip. Daarna lag ze ongebruikt in de haven, tot ze in 1980 voor één kroon van de ondergang gered werd door de plaatselijke roeivereniging. Dat verhaal spreekt me natuurlijk wel aan, dus ik ga langs om een praatje te maken. De vereniging komt net terug van een visweekend, en voor ik het weet sta ik boven een enorme bak met dode vis het avondmaal uit te zoeken voor vanavond. Het worden drie kabeljauwen, die me vanuit de plastic zak meewarig blijven aankijken. Ik krijg op de kade hulp bij het schoonmaken. ‘Een half uurtje in de oven met zout, peper en citroen’, vertrouwt de visser me toe. Het wordt de best gelukte maaltijd van de maand.
Blijfweer
Zoals aangekondigd trekt er inderdaad een occlusiefront over. Regen, wind en een temperatuur waarbij je het liefst met een boek bij de kachel kruipt. Maar omdat het met z’n achten bij de scheepskachel toch ook snel benauwd wordt, huren we een auto om meer van het eiland te zien. Het landschap lijkt z’n schouders op te halen om het donkergrijze weer en de regen die in zichtbare vlagen over de vlaktes golft. Als je een eiland bent waar de oceaan al zó lang onophoudelijk tegenaan beukt kan een beetje water van boven je niet deren. Wij daarentegen zijn, nadat we een half uur aan de westkust naar het beuken van diezelfde oceaan in de diepte hebben staan kijken, doorweekt en rillerig. Gelukkig is er café Mormor (‘oma’), waar we met z’n achten alsnog met een boek en kom hete soep bij de kachel kruipen. Ten slotte is geen mens een eiland.
Eilandhoppen
Als het front voorbij is varen we vanuit Vágur via Sandoy noordwaarts naar Tórshavn, de hoofdstad van de Faeröereilanden. Na de verstilde haventjes die we tot nu toe zagen voelt deze plaats met nog geen 15.000 inwoners aan als een ware metropool. Onze vijf gasten maken plaats voor zeven nieuwe, uit Nederland, Oostenrijk en Engeland. De komende week varen we dagtochten tussen de eilanden en slapen we elke nacht in een haven. Zo is er ook tijd voor wandelingen langs de eindeloze kliffen, watervallen en meren in dit adembenemende gebied.
We wandelen onder meer langs het langgerekte meer Leitisvatn, dat uitmondt in de Bøsdalafossur-waterval. Vanaf de klif klatert het zoete water tientallen meters naar beneden, het zoute water in. Dit is ook de plek waar de Vikingen naar verluidt hun ongehoorzame en afgedankte slaven naar beneden duwden. Gelukkig worden díe wrede praktijken niet langer in ere gehouden.
Op zee hebben we mooi uitzicht op de ‘trollenvinger’, een rotspilaar die volgens de legende het laatste spoor is van de trol die in het begin der tijden probeerde deze eilanden naar IJsland te gooien. De poging mislukte, de trol viel achterover en alleen één vinger steekt nog boven water uit. Wélke vinger precies is helaas niet meer te achterhalen.
Stilte
Elke dag is er na aankomst in de haven tijd voor een verkennende wandeling. Als we geluk hebben, is er in het havenplaatsje iemand die zijn huiskamer openstelt als café. Zo niet, dan doet Cherokee dienst als stamkroeg. Haast is er niet; als de zon pas rond middernacht ondergaat is het niet moeilijk om voor donker thuis te zijn. Van op tijd een haven in moeten (omdat die anders vol is) is al helemaal geen sprake. De stilte, de ruimte en de rust van deze eilanden is een weldaad. In een wereld zonder reclames, opgevoerde scooters, subwoofers, winkelketens, neonverlichting, uiterlijk vertoon, fastfood, discotheken en mensenmassa’s komt er ruimte om je zintuigen voor iets anders te gebruiken. Misschien komt het daardoor dat mijn herinneringen aan deze eilanden intenser gekleurd zijn dan normaal.
Getuige van de schepping
Hoe laat zich zo’n eilandengroep in woorden vatten? Het lijkt wel alsof de natuur ter plekke bezig is zichzelf te scheppen. Onverstoorbaar knijpt ze water uit de rotsen, verpulvert ze gesteente tot zand, tovert ze gras uit kale vlaktes en blaast ze ogenschijnlijk voor haar plezier het zeewater tot wolken. Als je twee keer met je ogen knippert is alles al weer anders. Ons bestaan is in dit landschap slechts een knipoog van de tijd.
De vochtige zeelucht maakt van elke steile helling een wolkenfabriek, zodat elk eiland een mutsje heeft van de fijnste witte wol. De constant veranderende getijdenstroming trekt in het water patronen waar ik urenlang gehypnotiseerd naar kan kijken. Vanuit de heuvels, die in duizend tinten groen het zonlicht weerkaatsen, zie je diepblauwe draaikolken door de nog dieper blauwe baai bewegen. En tegen middernacht, als de zon op haar laagst staat, is mijn eigen schaduw in het koperen licht op de kade zo’n veertig meter lang.
Ochtendmist maakt plaats voor aarzelend zonlicht, waarna het een kwartierlang zomer is. Daarna kondigt een spectaculaire regenboog aan dat we onze jas weer aan moeten trekken. Een donkergrijze wolkenmassa duikt vanaf de rotsen naar beneden en klopt in het voorbijgaan de golven op tot schuimkoppen. We oefenen een man-overboord op een geliefde fender, spelen met koers, wind en stroming om in één rak langs het eiland te komen en klokken met stroom mee snelheidsrecords op het log. De sfeer aan boord is goed, zelfs uitgelaten: van zóveel schoonheid wordt elk mens gelukkig, denk ik.
Ik raak niet uitgekeken, maar na een maand aan boord zit mijn tijd erop: scheepsmaat Lise komt me aflossen, en ik vertrek -met een tikje voorbarige heimwee- van deze koele, ruige, stille rotsen in een donkerblauwe zee, naar de hete drukte in het kalme, azuurblauwe water van de Ionische zee.
Deze flessenpost is niet gesponsord of bedoeld als reclame, maar ik maak wél graag reclame voor Cherokee! Lijkt het je leuk om een keer mee te varen? Kijk dan op de website.

Onovertroffen mooi. Beschreven en geschreven 👌❤️
^^^ 💯 mee eens
Zo ontzettend leuk om weer over je belevenissen te lezen! En wat een prachtige foto’s! Dankjewel voor het delen.
Wat schrijf je toch prachtig!! Complimenten.
Weer prachtig, zoals we van jou gewend zijn. En wat fijn dat je zo intens, naar je hart, kunt leven. Ik hoop je over een paar maanden weer te zien in Nidri.
Dankjewel voor weer zo’n mooi geschreven avonturenverhaal!
Prachtig verhaal en je foto’s van de omgeving zijn adembenemend.
Jouw verhaal en foto’s kun je wel opsturen naar de traveler het blad van national geografy
Ik volg daar toevallig een aantal workshops over het schrijven van reisverhalen. Deze worden gegeven door mensen uit het vak.
Jouw verhaal past er zo tussen.
Gr chantal.
Wat een belevenissen weer, en geweldig om te lezen. Dankjewel voor het delen, en het mee beleven.
Goeie feestdagen, en zie uit naar je volgende flessenpost.
Wat weer een mooi verhaal, ik kijk alweer uit naar de volgende flessenpost!