Aan de voet van de Venetiaanse vesting laat ik het anker zakken op het zand van de baai van Methoni. De motor hoeft niet aan: de baai is ruim en de wind ook, dus als ik op de juiste diepte de boot omkeer, kunnen we zeilend voor anker. Niets ten nadele van mijn motor, maar ik hou toch het meest van de stille manier. Eeuwenlang lieten schepen in deze baai hun anker zakken: lokale vissersboten, handelsschepen op de route tussen west en oost, en oorlogsschepen in de eindeloze strijd om dit strategische punt in het uiterste zuiden van de Peloponnesos. De scheepsdiesel deed pas in het laatste staartje van die geschiedenis zijn intrede.
Om in stijl te blijven roei ik met mijn bijboot naar de kant. Het avondlicht lokt mensen uit hun huizen en camperaars uit hun bus, om een wandeling te maken langs de oude vesting die als een stenen schild in zee uitsteekt, de bourtzi als een schaaktoren naar voren geschoven. Daarachter verschuilt zich het dorp, waar het leven rustig voort lijkt te kabbelen. Ik sluit me aan bij de wandelaars en betrap mezelf erop dat ik automatisch naar het hoogstgelegen punt loop: uitzicht op zee, waar ik zojuist vandaan gekomen ben. Alsof ik hoop mezelf te kunnen zien varen, om beter te snappen hoe nietig ik ben in de eindeloze zee.
Cactusjacht
De volgende dag slenter ik door de straten van Methoni, bekijk de vesting en maak een wandeling langs de rotskust aan de westkant van het dorp. Gister had ik al gezien dat de cactusvijgen rijp zijn, dus heb ik handschoenen, een barbecuetang en een plastic container meegenomen. Het vruchtvlees van de cactusvijg is zoet en lekker door de yoghurt, maar de fijne haartjes op de vruchten hebben als je niet vreselijk oppast de neiging zich via je handen te verspreiden over je hele lichaam, en dagenlang te blijven prikken. Niet aanraken dus, maar met de tang in de container stoppen en dan op de kade met handschoenen aan schillen.
Opkruisen (een poging)
De volgende ochtend ontbijt ik met yoghurt met verse cactus, en zodra de wind meer is dan een zacht zuchtje hijs ik de zeilen. Het anker zeul ik met de hand omhoog, gelijk de oude Venetianen, en heel traag glijden we geruisloos naar het zuiden. De wind die er is wurmt zich een weg tussen kaap Akritas en de eilanden Schiza en Sapientza, en zit me dus precies tegen. En omdat Trixie toch al niet zo’n goede aandewindse zeiler is, die bovendien best wat wind nodig heeft om beweging in haar -sorry- logge lijf te krijgen, schiet het niet erg op. Ik probeer op te kruisen, maar in plaats van een mooie zigzaggende haaientand lijkt ons kielzog meer op dat van een vaporetto: heen en weer, heen en weer….
Ach ja, we hebben de tijd. Dat er intussen een grote trimaran ons met vijf knopen in een rechte lijn voorbijvaart, negeren we voor het gemak maar even. Zij gaan vandaag vast ook naar Koroni, waar ze over twee uur al de prosecco ontkurken. Wij zitten dan nog te genieten van de zon en de zee en het steeds veranderende uitzicht (de kaap aan bakboord, dan weer aan stuurboord, dan weer aan bakboord…. verveelt nooit!), dus het is maar de vraag wie het hier eigenlijk beter voor elkaar heeft.
Toch ben ik opgelucht als de wind een tikkie aantrekt en een tikkie draait, zodat Trixie zich gapend uitrekt en eindelijk begint te lopen. We piepen tussen kaap Akritas en het eilandje Venetiko door, en varen probleemloos met een ruime wind naar Koroni.
Het tweede oog
Net als Methoni ontleent Koroni zijn karakter aan de Venetiaanse vesting op de rotsen aan de kust. Van oudsher zijn het tweelingsteden, net ver genoeg uit elkaar gelegen om elk een eigen grondgebied te beheren, maar dicht genoeg bij om elkaar te hulp te schieten als een vreemde mogendheid het weer eens op een van hen voorzien had. De Venetianen hadden het lange tijd voor het zeggen in beide vestingen, en het grootste deel van de versterkingen zijn Venetiaans van origine. ‘De ogen van Venetië’ werden ze ook wel genoemd, vanwege hun strategische ligging op de handelsroute tussen Venetië en de Levant. Omdat de kustlijn zo ruig is, waren er naast deze twee natuurlijke havens weinig andere mogelijkheden om aan te meren. Wie Methoni en Koroni beheerde, beheerde daarom de scheepvaartroute naar het oosten.
Nachtelijk gewoel
Ik anker aan de noordkant van het plaatsje in de havenkom, om de deining uit het zuiden kwijt te zijn. Maar ’s nachts als ik in bed lig verandert het gladde water plotseling in een enorme klotsbak, terwijl het nog steeds amper waait. Waar komt dat woelige water opeens vandaan? Buienradar lost het mysterie op: een stukje ten noorden van ons trekt een stevige bui over, die korte golven onze kant op stuurt. Ten zuiden van ons zie ik op de radarbeelden een dieprode vlek langzaam onze kant op komen… Voor de zekerheid ga ik mijn bed uit en laat de hele ankerketting in het water glijden. We hebben hier ruimte genoeg, en als die bui over ons hoofd trekt heeft die ketting op de zeebodem beduidend meer nut dan in mijn ankerkluis.
- De rode vlek buigt gelukkig af naar het westen, dus los van onstuimig klotsen en een beroerde nachtrust gebeurt er niets. Wel zie ik dat het weer de komende dagen onvoorspelbaar blijft: troglijnen op de bracknell kaarten, een hoge CAPE-index, waarschuwingen voor onweersbuien van het Griekse meteostation. Mijn volgende etappe gaat naar kaap Tainaron (Matapan), waar volgens de oude Grieken Hades de poorten naar de onderwereld zou bewaken. Het zou toch jammer zijn als Trixie in een onweersbui naar Hades zou vertrekken… dus blijven we een paar dagen liggen in Koroni.
Uitzichtpunt
Ik wandel naar het kasteel op de heuvel en dwaal daar een paar uur in gelukzaligheid rond. De hele vesting staat van top tot teen in bloei, van de kloostertuinen en de oude moskee tot de byzantijnse kerk en de herdersweide net buiten de oostelijke poort. Daar waad ik door een zee van geel via een smal geitenpaadje tussen de schouderhoge bloemen door, op zoek naar -ik kan het niet laten-, een uitzichtpunt op zee. Vanaf de rotsen zie ik in de verte als ik heel goed kijk een bewegend wit vlekje. Kauwend op een grasspriet luister ik naar het concert dat een merelkoor van wereldklasse achteloos ten gehore brengt. En heel langzaam wordt dat stipje in die blauwe zee steeds groter, tot ik aan dek een aantal bekende posturen ontwaar. Waldemar is met zijn catamaran uit Pylos komen varen, en heeft goed volk aan boord meegenomen. Baptiste, Elsa en Jonas varen een dagje met hem mee en nemen vanuit Koroni dan weer de bus terug naar Pylos.
Zeilverwanten
’s Avonds eten we vis aan de haven, en delen we onze ervaringen van het leven aan boord. De zeilerswereld is divers: als we niet zouden zeilen, zouden we ons nooit in elkaars vaarwater begeven. Hoe ontmoet een Nederlandse filosofiedocent een beroepspianist in Monaco, en hoe raakt een digitale tandarts uit Zweden bevriend met een Nederlandse cameraman? Het antwoord is simpel: ze kopen allemaal een boot, en daarmee is de kloof gedicht. Het mooie is: van de meeste mensen die ik ontmoet weet ik niet eens hoe ze aan hun centen komen. Wat telt is de gedeelde ervaring van het leven aan boord, en die zeilverwantschap is verbinding genoeg.
Een paar dagen later zien de weerkaarten er een stuk betrouwbaarder uit en is het tijd om te vertrekken. Wel jammer, want intussen komen Nikola en Jan vanuit Pylos ook naar Koroni varen. Maar ik kan de rust niet vinden om te blijven liggen: Oostwaarts moet het, en wie mij al veel langer kent weet dat die drang niet nieuw is.
Op naar het oosten
Helga van Leur had het bij het rechte eind: precies als ik mijn laatste slok koffie opdrink streelt een zacht briesje de gladde zee wakker. Ik haal mijn vijftig meter ketting aan boord, hijs de zeilen en zie Koroni langzaam met het landschap achter me versmelten. Het waait niet hard dus ik stuur wat naar het zuiden, in de hoop daar meer wind te vinden. De voorspellingen zeggen dat de westenwind later vandaag vanuit het zuiden aantrekt. Vooralsnog is het te vroeg: de zachte wind bolt amper mijn genua, en als ik na een halfuur klooien eindelijk mijn halfwinder heb gehesen, zakt hij opeens helemaal in.
Ontmoeting met de diepzee
De zee is veranderd in een vormeloze massa, langzaam ademend
als een gigantisch slapend dier. Ik strijk de genua en laat de boot op die adem
drijven. Zelf ga ik op het voordek zitten om wat oefeningen te doen tegen mijn
stijve schouders, als in een eenpersoons-yogaklas. Terwijl ik mezelf zo ver
mogelijk voorover vouw over mijn gebogen knie vertel ik mezelf dat ik langzaam
en zachtjes moet uitademen, op het ritme van de zee. Onmiddellijk hoor ik naast
me iemand juist heel hard en nadrukkelijk uitademen: “Pfffff!” Pardon!?
Verstoord kijk ik op van mijn scheenbeen, en als ik naast me
kijk zie ik twee kleine vinnen door het water glijden. Van stijfheid blijkt
opeens geen sprake, want in één tel sta ik op het dek van enthousiasme op en
neer te springen. De vinnen zijn te klein en de dieren zijn te groot om
dolfijnen te zijn, dus zwemt er hier iets anders naast mijn boot. Walvissen?
Even later komen ze weer boven en kan ik duidelijk haar kop zien. “Beaked whale”, borrelt er van ergens in mijn hersenpan naar boven. Vorig jaar kocht ik in Edinburgh een boek over dolfijnen en walvissen, en blijkbaar heb ik tijdens het bladeren toch meer informatie opgeslagen dan ik dacht. Ik weet niets over ‘beaked whales’, niet eens dat ze bestaan, en ik had je er niets over kunnen vertellen. Maar ik kan ze wél herkennen, want als ik even later mijn boek tevoorschijn heb gehaald blijken de dieren die ik naast mijn boot zag zwemmen, en die inmiddels weer in de diepte zijn verdwenen, inderdaad onmiskenbaar twee spitssnuitdolfijnen, zoals ‘beaked whales’ in het Nederlands heten. Het zijn diepzeedieren die je in kustgebieden niet zo vaak ziet, maar inderdaad loopt de zeebodem hier steil af naar een diepte van meer dan een kilometer.
Schuilplaats op zee
Niet heel veel later arriveert de beloofde wind, en varen we met ruime wind naar het zuidoosten. De wind trekt aan en de zee bouwt op, en tegen de tijd dat we de kust naderen moet windvaan Vera hard werken om de boot op koers te houden. We sturen aan op het plaatsje Gerolimenas, dat diep weggestopt zit in een rotsspleet een paar mijlen voor kaap Tainaron. Ik heb gelezen dat het haventje goed beschut is, ook met wind en deining uit het westen, maar als ik langs de rotskust vaar waar de zee tegenaan beukt heb ik daar een hard hoofd in. Zo plooibaar zijn water en lucht, zo buigzaam golven en wind, dat ze zich ongestoord om een rotspunt heen kunnen krullen. Ik bereid me mentaal alvast voor op een gebroken nacht.
Maar als ik dichterbij kom opent zich de kloof waar Gerolimenas in ligt, als een teek in een huidplooi. Ik vaar naar binnen en in twee tellen zijn wind en deining verdwenen. In spiegelglad water laat ik mijn anker zakken in het midden van het haventje. Met de verrekijker kijk ik naar de golven die een halve mijl verderop uiteenslaan op de rotsen, terwijl om me heen alles muisstil is. Een prima plek om ons voor Hades te verstoppen. Morgen gaan we de confrontatie aan.

I love to read your posts so full of lovely life reflections! ❤️🇬🇷💙🐈⬛
Leuk om je avonturen te volgen, Anne! Heel aanstekelijk geschreven.
War een prachtige verhaal heb je weer geschreven. En als ik de beelden zie kan ik niet wachten om daar ook weer te varen.
Altijd een groot genoegen jouw teksten te lezen, Anne.
Wat leest dit heerlijk weg.
Dankjewel dat ik “aan boord” mag meezeilen.
Wat een prachtige cumulonimbus foto! En wat leuk om te zien hoe groen Koroni al is! Wij waren daar een aantal weken geleden. Dank je wel voor het delen van je avonturen Anne.
Ja, die foto zou niet misstaan in al die boekjes hè? Perfecte paddestoel. Goedaardig, gelukkig!
Zodra de mail binnen kwam gelijk je blog gelezen. Je schrijft zo beeldend, vooral omdat wij een paar jaar geleden dezelfde tocht gemaakt hebben, is het heel herkenbaar.